In de Fiscale Vereenvoudigingswet 2017 is artikel 29 van de Wet OB aangepast. Dit is de regeling waarbij een verkoper de afgedragen btw kan terugvragen als blijkt dat de afnemer niet betaalt. Knelpunt was het vaststellen van het exacte moment van daadwerkelijke oninbaarheid. Zowel een te vroeg als een te laat tijdstip kon in de praktijk tot problemen leiden.

Reden om met ingang van 1 januari 2017 de wet te ‘vereenvoudigen’ met de introductie van een eenjaarsfictie (het zogenaamde non-betalingsvermoeden). Oninbaarheid ontstaat als de vordering één jaar nadat deze opeisbaar is geworden (lees: na het verstrijken van de uiterste betaaldatum die tussen verkoper en afnemer is overeengekomen), nog niet is betaald. Het is niet van belang of dan ook vaststaat dat de afnemer niet zal betalen. Als oninbaarheid eerder vaststaat geldt dit (eerdere) moment.

Heeft een verkoper een vordering waarvan de uiterste betaaldatum is verstreken vóór 1 januari 2017 die op dat moment nog niet is ontvangen? Dan begint de eenjaarstermijn te lopen op 1 januari 2017 en wordt deze vordering op 1 januari 2018 oninbaar geacht te zijn. De verkoper moet de reeds afgedragen btw in de eerste aangifte over 2018 terugvragen. Dit moet in de aangifte gebeuren bij vraag 1a of 1b (negatieve omzet met het daarbij behorende negatieve bedrag aan btw). Let op: bij de jaarlijkse herrekening van omzetbelasting hiermee rekening te houden!

Is de uiterste betaaldatum ná 1 januari 2017, dan moet de btw teruggevraagd worden in het tijdvak waarin duidelijk is dat de klant niet meer zal betalen of uiterlijk één jaar na uiterste betaaldatum.

Uiteraard geldt voor de afnemer de spiegelbeeldsituatie. De afnemer moet de in aftrek gebrachte btw corrigeren (vraag 5b van de aangifte). Ook voor de afnemer is de eenjaarstermijn van toepassing.

Voor vragen over dit onderwerp kunt u contact opnemen met Katelijne ten Thije (tel 055-3559979) of k.ten.thije@fullfinance.nl.