Trouwen in een beperkte gemeenschap (hoofdregel sinds 1 januari 2018) of een algehele gemeenschap (de wettelijke regeling tot en met 2017, nu te realiseren door het maken van huwelijkse voorwaarden) met gelijke delen leidt niet tot heffing van schenkbelasting. Dit geldt ook als de gemeenschap van goederen met gelijke delen ontstaat tijdens het huwelijk door het wijzigen van huwelijkse voorwaarden.

Bovenstaande is geregeld in een aanvullend beleidsbesluit van de staatssecretaris van Financiën van 29 maart 2018. Maar dit is een toezegging waar de praktijk weinig aan heeft, omdat in deze situaties geen twijfel bestaat dat het geen schenking betreft (o.a. gezien de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, BNB 1959/122 en BNB 1971/95). De toezegging om met een beleidsbesluit te komen deed de staatssecretaris tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen 2018, waarin een wijziging van de Successiewet was opgenomen. Door een amendement (Kamerstukken 2017/2018, 34 786, nr. 18) is deze wijziging niet doorgegaan.

Enerzijds was het amendement te billijken (sommige onderdelen waren ondoordacht en leidden tot vreemde uitkomsten), anderzijds had de praktijk aan de voorgestelde wijziging in de Successiewet wel wat gehad. Onder meer, doordat het wetsvoorstel aanmerkelijk verder ging dan het bereik van de aangehaalde jurisprudentie. Het maakte een einde aan de discussie of het aangaan van een zeer beperkte gemeenschap van goederen als een schenking kon worden aangemerkt, en ook werd rechtszekerheid geboden aan samenwoners die hun vermogens bij helfte konden verdelen zonder dat sprake was van een schenking.

Vermeldenswaard is toch nog een tweetal goedkeuringen. De eerste goedkeuring heeft betrekking op de situatie dat partners voor het huwelijk al gezamenlijk een woning hebben en dit voorhuwelijkse vermogen bij trouwen van rechtswege in de beperkte gemeenschap van goederen valt. Als een van de partners meer eigen geld heeft ingelegd, moeten zij iets regelen als zij willen voorkomen dat deze inleg 50-50 wordt. Dat regelen gebeurt via het opmaken van huwelijkse voorwaarden waarbij de schuld buiten de gemeenschap wordt gehouden. De staatssecretaris keurt goed dat in deze situatie geen sprake is van een schenking (al lijkt ons dat vrij overbodig).

De andere goedkeuring betreft de afspraak dat een andere verdeelsleutel (bijvoorbeeld 70-30 als genoemd in een brief, Kamerstukken II, 2011/2012, 28 867, nr. 28) niet tot een schenking leidt als de ‘rijkere’ echtgenoot ten minste gerechtigd blijft tot 50% van het tot de algehele gemeenschap van goederen behorende vermogen en ten hoogste tot de gerechtigdheid die hij al had.

Deze cryptisch verwoorde goedkeuring wordt toegelicht aan de hand van een voorbeeld.

Een man (vermogen € 1.000.000) en een vrouw (vermogen nihil) gaan trouwen in een algehele gemeenschap van goederen en komen een verdeelsleutel van man 70 en vrouw 30 overeen. Bij een gelijk vermogen is bij ontbinding van de huwelijk na vijf jaar de man gerechtigd tot € 700.000 en de vrouw tot € 300.000. Omdat de man € 1.000.000 had en daarna gerechtigd is tot meer dan de helft, is er geen sprake van een schenking. Een verdeelsleutel van 30 – 70 zou wel tot een schenking leiden.

De praktijk zal moeten uitwijzen of, en zo ja wanneer, sprake is van een schenking bij het aangaan van een zeer beperkte gemeenschap en in welke situaties sprake is van een schenking tussen samenwonenden.

Voor vragen over dit artikel of over het huwelijksvermogensrecht in het algemeen, kunt u contact opnemen met mr. Sandra Twigt RB (s.twigt@fullfinance.nl).