Aanzienlijk loonvoordeel mag niet in de WKR; gebruikelijkheidscriterium

In de eerste rechtszaak over het gebruikelijkheidscriterium is uitspraak gedaan in hoger beroep. Hof Amsterdam oordeelde op 25 januari 2018 in de zaak van een werkgever die bonusaandelen met een aanzienlijke waarde om niet aan werknemers had verstrekt en in de vrije ruimte had ondergebracht.

De rechtbank oordeelde eerder dat de belastingdienst niet had bewezen dat het ongebruikelijk is om dergelijke voordelen onder de werkkostenregeling te brengen en dat verwijzing naar de doelmatigheidsmarge van € 2.400 onvoldoende was.

Hof Amsterdam is een andere mening toegedaan; er is sprake van zuiver beloningsloon van aanzienlijke omvang; de toekenning dient niet ter vergoeding van werkkosten die daadwerkelijk door de werknemers zijn gemaakt. Die combinatie maakt dat de gebruikelijkheidstoets niet wordt doorstaan. Ook het feit dat de aandelen zijn toegekend aan een selecte groep werknemers versterkt de ongebruikelijkheid. Bovendien is de toepasselijke gedeeltelijke vrijstelling binnen de WKR, en het verschil in tarief tussen eindheffing (80%) en heffing op individueel niveau (108,3%), een aanwijzing voor tariefarbitrage. Anders dan de rechtbank meent het hof dat de belastingdienst de ongebruikelijkheid voldoende aannemelijk heeft gemaakt.

Misschien was de uitkomst wel enigszins te verwachten, maar de uitspraak maakt het er allemaal niet echt duidelijker op en de argumentatie is opmerkelijk te noemen. Zo blijft de vraag wanneer een combinatie van factoren doorslaat naar ongebruikelijkheid? Ook baseert het hof zich op bij invoering van de werkkostenregeling uit de Wet loonbelasting geschrapte terminologie, en wordt de toepassing van de werkkostenregeling beperkt tot vergoeding van zuiver zakelijke kosten of zwak loon (loon met een gemengd karakter). Uit de wetgeschiedenis blijkt echter dat ook sterk loon, dat wil zeggen een voordeel dat is bedoeld om te belonen in de vrije ruimte, mag worden ondergebracht. Bovendien haalt het hof de wijziging van het gebruikelijkheidscriterium per 1 januari 2016 aan; de kwestie voor het hof had echter betrekking op de jaren 2012 en 2013. Ten slotte is uitdrukkelijk in de wetshistorie aan de orde geweest dat het voor toepassing van de WKR geen belemmering is dat de vergoeding of verstrekking niet aan alle werknemers wordt gegeven.

Het woord is nu aan de Hoge Raad die hopelijk gaat zorgen voor de duidelijke afbakening van het gebruikelijkheidscriterium waar de praktijk zo’n behoefte aan heeft, zeker nu de belastingdienst steeds meer beleid publiceert over dit criterium.

Zo is onlangs bekendgemaakt dat het aanwijzen van loon als eindheffingsbestanddeel, ook binnen de doelmatigheidsmarge van maximaal € 2.400 per werknemer per jaar, wel redelijk moet zijn: “Wij vinden het niet redelijk als een werknemer of een stagiair minder loon krijgt dan het minimumloon of de stagevergoeding waar hij recht op heeft. Als u een stagiair bijvoorbeeld € 200 per maand moet betalen, vinden wij het niet redelijk om een deel daarvan aan te wijzen als eindheffingsloon. En als een werknemer het minimumloon verdient, vinden wij het ook niet redelijk om een deel van zijn loon als eindheffingsloon aan te wijzen”, aldus de belastingdienst.

De doelmatigheidsmarge geldt dus niet ten aanzien van deze groepen. Naast het gebruikelijkheidscriterium lanceert de belastingdienst dus een nieuw grijs gebied, ondanks dat dit niet aan de orde is geweest in de wetsgeschiedenis.

2018-02-15T09:46:55+00:00