De belastingheffing in box 3 vindt plaats op forfaitaire wijze. Tot 1 januari 2017 was de grondslag 4% van de waarde, die tegen 30% belast werd. Een effectief tarief van 1,2% dus. Met ingang van 1 januari 2017 wordt de box 3-heffing bepaald op basis van rendementsklassen en vermogensschijven. Daardoor is geen absoluut effectief tarief te bepalen.

Een in de onderneming gebruikt activum dat tot de box 3-grondslag behoort, is aftrekbaar tot het bedrag dat in box 3 moet worden aangegeven. Tot en met 2016 was dat eenvoudig: 4% van de waarde van het in de onderneming gebruikte activum was aftrekbaar. Sinds 1 januari 2017 was echter de vraag hoe het aftrekbare bedrag bij de bepaling van de winst uit onderneming bepaald moest worden. In een besluit van 9 mei 2018, nr. 2018-52488, Stcrt. 2018, 29949 geeft de staatssecretaris van Financiën eindelijk duidelijkheid.

In het kort de uitgangspunten:

  • Met schulden wordt geen rekening gehouden;
  • Bij gebruik van een gedeelte, moet worden uitgegaan van dat gedeelte;
  • Het heffingsvrij vermogen wordt buiten beschouwing gelaten;
  • Er geldt een ‘top down’-benadering per 1 januari 2017;
  • Bij een waarde lager dan het heffingsvrij vermogen geldt een rendement van 2,871% (2017);
  • Bij gebruik gedurende een deel van het jaar geldt een tijdsevenredige berekening.

Dit wordt geïllustreerd met de volgende drie voorbeelden.

Voorbeeld 1: schijf 1

Een ondernemer heeft een gedeelte van een privépand dat op 1 januari 2017 tot de rendementsgrondslag van box 3 behoort, in gebruik bij zijn onderneming. De waarde van dit gedeelte is op 1 januari € 10.000. De grondslag sparen en beleggen (bezittingen minus schulden minus heffingsvrij vermogen) in box 3 is € 20.000. Het gedeelte van het privépand wordt voor de berekening van de maximale gebruiksvergoeding toegerekend aan schijf 1. Het voordeel uit sparen en beleggen ter zake van de gebruiksvergoeding is dan 2,871% x € 10.000 = € 288. De ondernemer kan ten hoogste € 288 als kosten van de winst aftrekken.

Voorbeeld 2: waarde bezitting kleiner dan grondslag sparen en beleggen

Een ondernemer heeft een deel van zijn privépand dat op 1 januari 2017 tot de rendementsgrondslag van box 3 behoort, in gebruik bij zijn onderneming. De waarde van dat deel op 1 januari is € 50.000. De grondslag sparen en beleggen (bezittingen minus schulden minus heffingsvrij vermogen) in box 3 is € 110.000. Het deel van het privépand wordt voor de berekening van de maximale gebruiksvergoeding voor € 35.000 toegerekend aan schijf 2 (4,6%) en voor € 15.000 toegerekend aan schijf 1 (2,871%). Het voordeel uit sparen en beleggen ter zake van de gebruiksvergoeding is dan 4,6% x € 35.000 plus 2,871% x € 15.000 = € 2041. Op jaarbasis kan de ondernemer ten hoogste € 2041 als kosten van de winst aftrekken.

Voorbeeld 3: waarde bezitting groter dan grondslag sparen en beleggen

Een ondernemer heeft een deel van zijn privépand dat op 1 januari 2017 tot de rendementsgrondslag van box 3 behoort, in gebruik bij zijn onderneming. De waarde van dat deel op 1 januari is € 40.000. De grondslag sparen en beleggen (bezittingen minus schulden minus heffingsvrij vermogen) in box 3 is nihil. Het deel van het privépand moet worden toegerekend aan het heffingsvrije vermogen en voor de berekening van de maximale gebruiksvergoeding wordt gerekend met het forfaitaire rendement van schijf 1. De ondernemer kan ten hoogste 2,871% van € 40.000 = € 1149 als kosten van de winst aftrekken.