Een onderwerp waar naar ons idee onduidelijkheid over blijft bestaan is de waardering van de deelneming in de jaarrekening op fiscale grondslagen. Moet of mag het nu tegen kostprijs of nettovermogenswaarde of is het nóg wat anders?

Oude situatie

Vanaf de introductie van de jaarrekening op fiscale grondslagen is dit onderwerp voer voor discussie geweest. In de basis is de fiscale waarderingsgrondslag voor een deelneming de verkrijgingsprijs. In de meeste gevallen zijn alleen dividenduitkeringen belast, maar die vallen dan doorgaans onder de deelnemingsvrijstelling, dit om te voorkomen dat de winst van de deelneming twee keer belast wordt. Een andere veel voorkomende optie is dat de deelneming samen met de moeder een fiscale eenheid vormt. Ook dan wordt de winst van de deelneming maar één keer belast, maar dan tezamen met de winst van de moeder.

Jurisprudentie (HR 14 juni 1978, nr. 18 405, BNB 1979/181) geeft aan dat wanneer sprake is van een deelnemingsvrijstelling niet alleen verkrijgingsprijs, maar ook nettovermogenswaarde een aanvaardbare grondslag is. De waardestijging van de deelneming die hiermee tot uitdrukking komt, wordt in de aangifte gecompenseerd door de deelnemingsvrijstelling. Hierbij is uitsluitend de vraag of sprake is van een deelnemingsvrijstelling bepalend of nettovermogenswaarde is toegestaan. In feite werkt de situatie met de fiscale eenheid niet anders, onder de voorwaarde dat het resultaat van de deelneming per saldo slechts één keer belast wordt.

Voor de wijziging van de RJk waren dus zowel de verkrijgingsprijs als de nettovermogenswaarde een geaccepteerde waarderingsgrondslag voor een deelneming in de jaarrekening op fiscale grondslagen, gebaseerd op fiscale jurisprudentie. De vraag of de deelneming onderdeel is van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting leek tot dusver niet relevant.

RJk D3.2.202

In het voorjaar 2016 heeft de RJ een uiting gepubliceerd (2016-5) die inmiddels is opgenomen in de RJk onder D3.2.202[1] . De basisregel luidt:

Deelnemingen worden in de jaarrekening als kapitaalbelang gewaardeerd volgens de toegepaste fiscale waarderingsgrondslag.

Vervolgens maakt de RJ onderscheid in de waardering van deelnemingen die wel en die geen deel uitmaken van een fiscale eenheid.

Fiscale eenheid

Wanneer een deelneming onderdeel is van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting, dan moet de deelneming gewaardeerd worden tegen het nettobedrag van activa en verplichtingen van de deelneming (die overigens ook op fiscale waarderingsgrondslagen gewaardeerd moet zijn).

De jurisprudentie waarop tot de wijziging in de RJk de fiscale waarderingsgrondslag gebaseerd was, is niet gewijzigd. Mogelijk is de wijziging van de RJk gebaseerd op de verwerkingswijze in de fiscale aangifte (hoewel die verwerkingswijze niet veranderd is). Bij een fiscale eenheid worden alle onderliggende balansen en winst-en-verliesrekeningen van onderdelen van de fiscale eenheid in de aangifte ingevoerd en waar nodig worden eliminaties aangebracht om tot een “geconsolideerde” aangifte te komen. Daarbij worden in de basis de activa en verplichtingen van de deelnemingen meegenomen, in de RJk verwoord als het “nettobedrag van activa en verplichtingen”.

Het nettobedrag van activa en verplichtingen is overigens ook een nieuw begrip. Het klinkt een beetje als nettovermogenswaarde, maar dat is het in feite niet. Bij nettovermogenswaarde is de basis voor de waardering van de deelneming dat de activa en passiva van de deelneming op dezelfde waarderingsgrondslagen worden gewaardeerd als de activa en passiva van de moeder, Nettobedrag van activa en verplichtingen lijkt meer op zichtbaar eigen vermogen, oftewel de waarde van de deelneming volgens haar eigen grondslagen. Voor het vervolg van dit artikel gaan wij ervan uit dat de waarderingsgrondslagen van moeder en dochter gelijk zijn. Daarmee is nettovermogenswaarde gelijk aan zichtbaar eigen vermogen en gelijk aan het nettobedrag van activa en verplichtingen.

Vraag is nu: mag je bij een deelneming die onderdeel is van de fiscale eenheid dan nog uitsluitend tegen het nettobedrag van de activa en verplichtingen waarderen en niet meer tegen verkrijgingsprijs? Hoewel wij de RJ van grote waarde vinden voor de nadere duiding van de in Nederland aanvaardbaar geachte waarderingsgrondslagen, is de fiscale jurisprudentie niet gewijzigd. Ons standpunt is daarom dat de verkrijgingsprijs ook nog steeds een aanvaardbare waarderingsgrondslag is.

Geen fiscale eenheid

Maakt de deelneming geen deel uit van een fiscale eenheid, en fiscaal tegen bijvoorbeeld historische kostprijs of lagere bedrijfswaarde wordt gewaardeerd, dan is dat ook de waarderingsgrondslag voor de jaarrekening.

In de aangifte van een onderneming die een deelneming heeft, die geen onderdeel is van de fiscale eenheid, worden de activa en verplichtingen van de deelneming niet verwerkt in de aangifte van de houder van het kapitaalbelang. In deze situatie worden alleen eventuele dividenduitkeringen in de aangifte vennootschapsbelasting meegenomen, die vervolgens zijn vrijgesteld vanwege de deelnemingsvrijstelling. Daar past dan een kostprijs of lagere bedrijfswaarde als waarderingsgrondslag bij.

Vraag bij deze situatie is: mag je een deelneming die geen onderdeel is van de fiscale eenheid tegen nettovermogenswaarde waarderen? Ons standpunt is, naar het lijkt in afwijking van de RJk, dat dat mag. Met dezelfde motivatie als ons vorige standpunt: de jurisprudentie is op dit punt niet gewijzigd.

Deelneming met negatief eigen vermogen

Jammer genoeg gaat de RJk niet in op de vraag hoe moet worden omgegaan met de situatie waarin de deelneming die onderdeel is van de fiscale eenheid een negatief eigen vermogen heeft. Volgens RJk D3.2.202 moet deze deelneming tegen het nettobedrag van activa en verplichtingen gewaardeerd worden, wat derhalve uitmondt in een negatief bedrag. Wordt dat dan een voorziening of komt die deelneming dan met een negatief bedrag aan de debetzijde te staan? Vanuit externe verslaggevingsperspectief gezien vinden wij beide geen optie. Bovendien roept een voorziening de vraag op of de moedermaatschappij zich aansprakelijk heeft gesteld voor de schulden van de deelneming. Wanneer in deze situatie nettovermogenswaarde gehanteerd wordt, dan wordt de deelneming in principe niet verder dan tot nihil afgewaardeerd, tenzij de moedermaatschappij daadwerkelijk voor alle of voor bepaalde schulden aansprakelijk is of zich daarvoor aansprakelijk stelt. Die situatie zou leiden tot vorming van een voorziening (hoewel die fiscaal niet aftrekbaar is) met een toelichting waarop de aansprakelijkstelling betrekking heeft. Voorbeelden zijn een aansprakelijkstelling in het kader van de fiscale eenheid voor btw en/of vpb of een aansprakelijkstelling in het kader van een gezamenlijke kredietovereenkomst. En dan is de voorziening vanuit verslaggevingsperspectief goed verantwoord.

Dit lijkt ook beter te passen bij fiscale jurisprudentie waaruit blijkt dat waardering op nettovermogenswaarde niet mag als dat ertoe leidt dat de waardering van de deelneming lager wordt dan zowel de kostprijs als de bedrijfswaarde (HR 23 september 1992, nr. 28 155, BNB 1993/60).

Dossiervorming

Zoals uit het voorgaande blijkt, vinden wij voor de waardering van een deelneming in de jaarrekening op fiscale grondslagen ook een andere grondslag acceptabel dan voorgeschreven in de RJ. Wij adviseren accountants die ons standpunt delen willen toepassen, om dit te documenteren. Wanneer u een klein kantoor heeft en/of slechts incidenteel van de richtlijn van de RJ afwijkt, vinden wij de bedrijfsbeschrijving van de betreffende cliënt een geschikte plek om de keuze (in overeenstemming met de wensen van de cliënt) vast te leggen. Wanneer u het afwijkende standpunt tot kantoorstandaard verheft, dan kunt u er ook voor kiezen om dit via uw handboek of een vaktechnische notitie kenbaar te maken aan uw medewerkers. Dat zou kunnen wanneer u (bijvoorbeeld) tot dusver deelnemingen altijd op verkrijgingsprijs of altijd op nettovermogenswaarde waardeerde, ongeacht de aanwezigheid van een fiscale eenheid en u wilt dit handhaven, omwille van de consistentie en duidelijkheid.

Conclusie

Vanwege het ontbreken van een wijziging in de fiscale wetgeving en jurisprudentie, vinden wij, ongeacht de deelname aan een fiscale eenheid, zowel de verkrijgingsprijs als de nettovermogenswaarde een gepaste waarderingsgrondslag voor deelnemingen in de jaarrekening op fiscale grondslagen.

 

[1] RJk D3.1.202 en D3.2.202 zijn identiek, D3.1.202 geldt voor microrechtspersonen, D3.2.202 geldt voor kleine rechtspersonen.