Op 23 maart 2018 is het rapport Evaluatie werking werkkostenregeling gepubliceerd. Het rapport is gebaseerd op ervaringen van werkgevers, intermediairs en medewerkers van de belastingdienst.

Uit de evaluatie blijkt dat de beoogde administratieve lastenverlichting niet zo wordt ervaren door werkgevers. Als werkgevers al een verschil merken ten opzichte van het pre-WKR-tijdperk, dan wordt aangegeven dat men meer tijd besteedt aan de administratie. De staatssecretaris noemt dit meer een perceptie van hogere administratieve lasten die mogelijk veroorzaakt wordt door betere naleving van de regelgeving en noemt als positief effect dat werkgevers meer inzicht hebben gekregen in de verstrekte vergoedingen.

De evaluatie was met name gericht op het noodzakelijkheidscriterium (voor gereedschappen telefoons, laptops). Dat criterium blijkt naar behoren te werken, al is soms onduidelijk hoe de noodzakelijkheid bewezen kan worden (ook al ligt de bewijslast in eerste instantie bij de belastingdienst), heeft de belastingdienst het idee dat soms de grenzen worden opgezocht, en is onduidelijk in hoeverre de werkgever een eigen bijdrage mag vragen van de werknemer. Met name dat laatste punt zal waarschijnlijk worden verduidelijkt.

Uit de kabinetsreactie op het rapport blijkt verder dat er geen grote aanpassingen op de WKR te verwachten zijn. Wel is er de bereidheid een oplossing te zoeken voor de volgende knelpunten:

  • Het expliciet moeten aanwijzen als eindheffingsbestanddeel van gericht vrijgestelde vergoedingen
  • Noodzaak tot bijhouden van aantal verstrekte maaltijden
  • Ontbreken van een normrente bij personeelsleningen.

Andere suggesties vanuit de praktijk zullen naar verwachting niet worden overgenomen, zoals bijvoorbeeld uitbreiding van de gerichte vrijstellingen met de vergoeding van kosten voor de aanvraag van een Verklaring Omtrent Gedrag of voor de bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering. Ook aanpassing van het verschil tussen verstrekkingen op en buiten de werkplek (bijvoorbeeld voor parkeerplaatsen en personeelsfeesten) wordt niet wenselijk geacht; dit zou leiden tot verlaging van het percentage van de vrije ruimte i.v.m. de gehanteerde budgetneutraliteit.

De wijze van aanwijzen als eindheffingsbestanddeel blijft overigens een aandachtspunt, zo blijkt uit het rapport. Binnen de belastingdienst zit men op dit punt niet op één lijn. Soms is extra comptabel bijhouden voldoende, soms moet het per se op een daarvoor bestemde grootboekrekening en soms wordt een omschrijving in het personeelsreglement voorgeschreven. Ter voorkoming van discussie wordt geadviseerd gebruik te maken van een algemene verklaring waarmee vergoedingen en verstrekkingen die men is ‘vergeten’ aan te wijzen alsnog binnen de werkkostenregeling worden gebracht.

Het is nog niet bekend welke (kleine) aanpassingen daadwerkelijk zullen plaatsvinden, noch per wanneer dat zal gebeuren. Wel is duidelijk dat er mogelijk een vereenvoudiging komt van de bijna onuitvoerbare bijtelling van de waarde van een ter beschikking gestelde fiets van de zaak, zo werd op 19 maart 2018 aangekondigd. Die vereenvoudiging wordt dan echter pas met ingang van 1 januari 2020 ingevoerd. Tot die tijd kan, ook binnen de huidige werkkostenregeling, gebruik worden gemaakt van de eenvoudiger te hanteren alternatieven voor het geven van een fiets aan de werknemers.

Voor meer informatie hierover of bovengenoemde vangnetverklaring kunt u contact opnemen met mr. Mirjam van de Langerijt.