Er geldt een vrijstelling van overdrachtsbelasting bij bedrijfsopvolging (artikel 15, eerste lid, letter b, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer). De wettekst duidt op de bedrijfsopvolging tussen ouder en kind waarbij een onroerende zaak ‘dienstbaar aan diens onderneming’ mee overgaat. Maar moet het per se een echte onroerende zaak zijn, of volstaat ook een ‘fictieve’ onroerende zaak, zijnde aandelen in een onroerendezaaklichaam (OZL, artikel 4 WBr)?

Het Hof Leeuwarden geeft belastingplichtige gelijk. De vrijstelling voor de overdrachtsbelasting moet gelezen worden in verbinding met artikel 4. Dit artikel beoogt te voorkomen dat overdrachtsbelasting wordt ontgaan door het tussenschuiven van een rechtspersoon. Het doel van de regeling is om de verkrijging van aandelen in een OZL hetzelfde te behandelen als een rechtstreekse verkrijging van de onroerende zaken. In twee zogenaamde ‘doorkijkarresten’ heeft de Hoge Raad dit al eerder beslist voor de vrijstelling in de overdrachtsbelasting van artikel 15, eerste lid, onderdeel a (samenloop met omzetbelasting)[1] en voor de tot 1 januari 2010 geldende monumentenvrijstelling[2].

De vrijstelling van 15, eerste lid, onderdeel b, kent nu een vergelijkbaar (ruimer) bereik en is ook van toepassing bij bedrijfsopvolging via OZL-aandelen. Een mooi resultaat voor de belastingplichtige die hiermee ruim € 140.000 aan overdrachtsbelasting bespaart. Waarschijnlijk zal de staatssecretaris beroep in cassatie aantekenen, maar wij verwachten dat de Hoge Raad de doorkijkbenadering ook in deze situatie zal toepassen.

[1] HR 10 juni 20211, BNB 2011/219

[2] Artikel 15, eerste lid, onderdeel p WBr, HR 23 februari 2007, BNB 2007/167