Binnen de overdrachtsbelasting bestaan vrijstellingen. Een van die vrijstellingen is de vrijstelling bij bedrijfsopvolging binnen de familie (artikel 15, eerste lid, onderdeel b). Deze vrijstelling lijkt geschreven voor de bedrijfsopvolging van een IB-onderneming. De Hoge Raad heeft in een tweetal arresten bepaald dat ook aandelen in een onroerendezaaklichaam (hierna “OZL”) kunnen delen in de vrijstelling.

In twee bijna vergelijkbare casusposities was sprake van aandelen in een OZL waarbij een ouder deze aandelen schonk aan een kind. Uiteraard dient er sprake te zijn van een materiële onderneming die naderhand door het kind wordt voortgezet. Tegen de uitspraken van zowel het Hof Arnhem-Leeuwarden (15 augustus 2017) als ook Hof Amsterdam (1 mei 2018) die de vrijstelling van toepassing achtten, ging de staatssecretaris van Financiën in cassatie bij de Hoge Raad. Op 30 november 2018 wees de Hoge Raad in beide zaken arrest en stelde de belanghebbenden in het gelijk.

De regeling van de OZL (artt. 4 en 10 Wbr) heeft geen ander doel dan dat de verkrijging van aandelen in een OZL wordt belast als werden de betrokken onroerende zaken zelf verkregen. Een verdere strekking is niet aan de orde, aldus de Hoge Raad. Ofwel, je moet door de huls van de OZL heenkijken (vandaar de benaming ‘doorkijkarresten’). In eerdere jurisprudentie had de Hoge Raad dat ook al bepaald voor de vrijstelling van artikel 15, lid 1 onderdeel a (aandelen in een OZL met een bouwterrein en de samenloop met de omzetbelasting) en de vrijstelling van het destijds geldende onderdeel p (aandelen in een OZL met daarin een monumentenpand). Daar is dan nu de vrijstelling van onderdeel b aan toegevoegd. Daarmee is bedrijfsopvolging bij leven in een aantal situaties makkelijker geworden.

Een mooi succes. De betreffende klant is in deze procedure door ons begeleid en bespaart daarmee ruim € 140.000 aan overdrachtsbelasting.

Bron: Hoge Raad, 30 november 2018, nr. ECLI:NL:HR:2018:2110