Bij toetsingen namens de Raad voor Toetsing van de NBA is het inmiddels de gebruikelijke werkwijze dat de door het accountantskantoor intern geformuleerde voorschriften en normen zoals opgenomen in het kwaliteitshandboek van het kantoor leidend zijn voor de beoordeling van het kwaliteitssysteem. Als in het handboek voorschriften en normen zijn opgenomen die verder gaan dan de geldende wet- en regelgeving, worden deze voorschriften en normen gebruikt als uitgangspunt voor de toetsing. Hierdoor kan de situatie ontstaan dat het getoetste kantoor dat wel aan de minimale eisen van de geldende wet- en regelgeving voldoet, maar niet aan de eigen kantoorvoorschriften, een onvoldoende als eindoordeel bij de toetsing krijgt.

Zoals we vaker hebben aangegeven en eerder al in het overleg tussen NBA, Raad voor Toetsing en de serviceorganisaties hebben ingebracht is er hierdoor sprake van een onevenwichtigheid die lijkt op een zekere mate van rechtsongelijkheid. Kantoren die hun kwaliteitssysteem niet minimaal hebben ingericht lopen op deze manier het risico dat ze voor hun extra inspanningen worden ‘afgestraft’ ten opzichte van collega-kantoren die zich in de opzet van het kwaliteitssysteem tot de minimale eisen van wet- en regelgeving hebben beperkt. Ook het mogelijke gevolg hiervan dat wij in de praktijk daadwerkelijk tegenkomen, het aanpassen (downsizen) van het kwaliteitshandboek tot de minimaal volgens wet- en regelgeving verplichte voorschriften, vinden wij geen positieve ontwikkeling.

Echter, bij de komst van de NVKS wordt impliciet aangegeven dat deze aanpak bij toetsingen meer genuanceerd gaat worden. Hoewel het zo blijft dat de opzet van het stelsel van kwaliteitsbeheersing leidend is bij de toetsing, ook als dit meer vereist dan volgens wet- en regelgeving nodig is, is het ons bij het doornemen van het onlangs uitgebrachte Rapport van de Tijdelijke commissie NVKS opgevallen dat in vraag en antwoord 5 over dit onderwerp een belangwekkende uitleg en verduidelijking wordt gegeven. Leest u even mee in dit rapport?

Vraag 5: Toetst de Raad voor Toezicht de doelen die een accountantskantoor zichzelf stelt (kwaliteitsambitie)? 

De RvT richt zich vooral op het kwaliteitssysteem als uitwerking van de kwaliteitsambitie. De RvT zal kantoren ook vragen wat hun kwaliteitsambitie is. De kwaliteitsambitie zal ten minste moeten bestaan uit het voldoen aan wet- en regelgeving, daarnaast kan het kantoor zich aanvullende doelen stellen. De RvT zal naar de uitwerking van de aanvullende doelstellingen kijken in het kwaliteitsbeleid, het stelsel van kwaliteitsbeheersing en de (jaarlijkse) evaluatie van de kwaliteit. Als een kantoor een aanvullende doelstelling niet behaalt (of een daaraan gekoppelde maatregel niet realiseert), wordt hier in de regel geen consequentie aan verbonden. De RvT zal dan graag willen weten waarom dit niet is gelukt en wat het gevolg is voor het kwaliteitssysteem. Dit geeft een beeld van hoe het kantoor omgaat met kwaliteit en het lerend vermogen. Een uitzondering is als het niet behalen van de aanvullende doelstelling (en de bijbehorende maatregelen) gevolgen hebben voor het voldoen aan wet- en regelgeving (minimumpositie van de kwaliteitsambitie). Dit wordt met de onderstaande voorbeelden verduidelijkt.

Voorbeeld 1: Een kantoor heeft de kwaliteitsambitie om zich voor haar klanten als proactieve adviseur te onderscheiden. Daartoe worden trainingen gevolgd op adviesvaardigheden en communicatie. Ten slotte is besloten dat ieder dossier, waaronder die van de NVKS-opdracht, voorzien wordt van een adviespunt. Bij de evaluatie door het kantoor van het stelsel van kwaliteitsbeheersing blijkt dat niet iedere opdracht is voorzien van een advies. Dit zal niet leiden tot een negatief oordeel bij de toetsing door de RvT omdat dit geen gevolgen heeft voor het naleven van de wet- en regelgeving van de NVKS-opdracht. Wat daarentegen wel tot een negatief oordeel zou kunnen leiden is als de RvT constateert dat de objectiviteit of onafhankelijkheid (bij assuranceopdrachten) van de accountant in het geding raakt door het geven van advies. In dat geval zou wel sprake zijn van een gevolg voor het naleven van de wet- en regelgeving, namelijk de VGBA en de ViO.

Voorbeeld 2: Een kantoor heeft als aanvullend doel om klanten beter te kunnen adviseren door risicogericht te gaan samenstellen. Stel dat dit doel niet wordt gerealiseerd. Risicogericht samenstellen is ook een manier om te voldoen aan Standaard 4410 (maar geen verplichting vanuit de betreffende standaard). Het niet behalen van het doel risicogericht samenstellen, kan hier dus gevolg hebben voor het naleven van wet- en regelgeving. Van belang voor het oordeel van de RvT is op welke wijze het kantoor dan wel heeft gezorgd dat Standaard 4410 wordt nageleefd en dat dit daadwerkelijk blijkt uit de uitgevoerde samenstellingsopdrachten. 

Wij verwachten dat wanneer deze interpretatie in de praktijk daadwerkelijk toegepast gaat worden dit de indruk van rechtsongelijkheid zal opheffen, de kwaliteit van de op dit onderdeel meer genuanceerde eindoordelen van toetsingen ten goede zal komen, en het draagvlak voor toetsingen zal vergroten.