Je hebt ongetwijfeld de uitspraak van de Hoge Raad gezien in de diverse nieuwsgremia. Wat is er nu eigenlijk door de Hoge Raad gezegd?
Zoals iedereen in het fiscale vak weet, wordt belastingrente berekend als na afloop van de daarvoor geldende termijn een (voorlopige) aanslag wordt vastgesteld met een te betalen bedragen aan belasting. De Algemene wet inzake rijksbelastingen kent een uitputtende regeling die voor de diverse belastingen anders werkt. Maar daar gaat het nu niet om.
De wetgever heeft besloten dat de rente met ingang van 2022 moest worden berekend aan de hand van de herfinancieringsrente van de Europese Centrale Bank. Daarbovenop gold een opslag van 5,5% voor de vennootschapsbelasting en van 3% voor de inkomstenbelasting en overige belastingen (artikel 1 Besluit belasting- en invorderingsrente, hierna bpi). In de praktijk betekende dit dat de belastingrente met ingang van 2022 8% in de vennootschapsbelasting bedroeg en 4% in de inkomstenbelasting. Met ingang van 2024 is dit verhoogd tot maar liefst 10% voor de vennootschapsbelasting en 7,5% voor de inkomstenbelasting.
Een BV was het niet eens met die hogere rente en maakte bezwaar tegen de aanslag vennootschapsbelasting over 2021. De daarover in rekening gebrachte rente (berekend vanaf 1 juli 2022) bedroeg 8%. Volgens de rechtbank was dit in strijd met het evenredigheids- en het gelijkheidsbeginsel en de rente werd vastgesteld op 4%. Via sprongcassatie kwam dit bij de Hoge Raad terecht.
De Hoge Raad oordeelde allereerst dat de tekst van artikel 1 bpi binnen de ruimte blijft die de wetgever heeft op grond van de AWR. Het is niet zo dat de rente niet hoger mag zijn dan het rentenadeel dat de Staat leidt. Ook mag de rente voor de verschillende belastingen verschillend worden vastgesteld. Daarnaast is dit artikel zorgvuldig voorbereid en voldoende gemotiveerd. Wel heeft de rechtbank terecht getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. De wetgever moet bij de belangenafweging terughoudend optreden. En daar gaat het mis.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met artikel 1 bpi een budgettair doel wordt gediend. Tevens is sprake van een prikkel om tijdig een voorlopige aanslag te verzoeken. Zonder nadere toelichting valt echter niet in te zien dat daarvoor een hoger rentepercentage nodig is. Bovendien is een lastenverzwaring die vooral bij één groep belastingplichtigen wordt gelegd mogelijk in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Vervolgens concludeert de Hoge Raad het volgende:
- belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting en andere belastingen zijn te beschouwen als gelijke gevallen;
- een nog niet geformaliseerde materiële belastingschuld is niet gelijk aan een handelsvordering en dus ook niet vergelijkbaar;
- dat tegelijkertijd ook het drempeltijdvak is verlengd kan het onderscheid niet rechtvaardigen;
- ook het argument dat tijdig verzoeken om een voorlopige aanslag of tijdig aangifte doen de rente beperkt, vormt geen rechtvaardiging;
- ook overigens kan de Hoge Raad geen gronden vinden die het hogere rentepercentage rechtvaardigen.
Dit alles leidt tot de conclusie dat voor selectieve renteverhoging redelijke rechtvaardigingsgronden ontbreken. Er is een lastenverzwaring doorgevoerd die slechts bij één groep belastingplichtigen wordt gelegd. Daarom wordt de rente voor 2022 en 2023 op 4% vastgesteld (het percentage dat ook geldt voor andere belastingen) en met ingang van 2024 op 4,5%. Dit is in overeenstemming met de koppeling aan de wettelijke rente voor die jaren.
Tenslotte is nog opgemerkt dat de rente niet gezien kan worden als een straf omdat dit niet het oogmerk is van de toepassing van genoemde percentages.
Met dit arrest is een discussie beslecht die veel belastingplichtigen bezighield. Het gaat de Staat wel geld kosten: naar verwachting ongeveer € 1,3 miljard. Ik ben benieuwd waar het nieuwe kabinet de dekking vandaan gaat halen. Het laatste woord is hier ongetwijfeld nog niet over gezegd. Wij houden jullie op de hoogte!
Bert Driessen
Publicatiedatum: 21 januari 2026