Op 15 december 2017 heeft de Hoge Raad geoordeeld in een zaak over de teruggaaf van btw op de aanschaf van zonnepanelen. Deze uitspraak heeft tot gevolg dat particulieren die zonnepanelen hebben aangeschaft en nog niet als btw-ondernemer geregistreerd zijn, zich alsnog kunnen aanmelden bij de belastingdienst en om uitreiking van een btw-aangifte kunnen verzoeken. Dit geldt ook als de zonnepanelen in 2013 of eerder zijn aangeschaft. De Hoge Raad oordeelde in het arrest dat een inspecteur een verzoek om teruggaaf van btw op de aanschaf van zonnepanelen door een belanghebbende niet mag weigeren omdat het verzoek om teruggaaf niet tijdig zou zijn ingediend.

Welke theorie schuilt achter het oordeel van de Hoge Raad?

In de Wet op de omzetbelasting 1968 zijn er geen nadere regels terug te vinden over het (tijdstip van het) doen van btw-aangiften. Om te bepalen op welk moment het verzoek om uitreiking van een btw-aangifte moet worden gedaan, kijken we naar de AWR. Daarin is vastgelegd dat een ondernemer, die nog niet tot het doen van aangifte is uitgenodigd, de inspecteur om een uitnodiging moet verzoeken vóór het tijdstip waarop de btw moet worden betaald (zie artikel 3, lid 1 Uitvoeringsregeling AWR). In artikel 19 AWR is de termijn vastgelegd waarbinnen de btw op aangifte moet worden afgedragen.

Uit het bovenstaande volgt dat een ondernemer tijdig moet verzoeken om een uitnodiging tot het doen van btw-aangifte, als hij ook daadwerkelijk btw moet betalen en er nog geen aangifte aan hem is uitgereikt. Er is dus blijkbaar geen verplichting te verzoeken om een uitnodiging tot het doen van btw-aangifte als in een tijdvak geen btw hoeft te worden betaald.

Als de voorbelasting hoger is dan de verschuldigde btw in een tijdvak, dan zal het verschil op grond van artikel 17 Wet OB 1968 op verzoek aan de ondernemer worden terugbetaald. De teruggaaf moet op grond van artikel 31 Wet OB 1968 worden gedaan door middel van een btw-aangifte over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan. Als een ondernemer geen btw hoeft te betalen en er dus op grond van artikel 14 Wet OB 1968 geen btw-aangifte moet worden ingediend, kan uit artikel 31, lid 2 Wet OB 1968 worden afgeleid dat om teruggaaf wordt verzocht door het alsnog doen van aangifte.

Uit het recente arrest van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat hier geen specifieke termijn aan is verbonden, zodat een teruggaaf niet mag worden geweigerd met als argument dat het verzoek niet tijdig zou zijn gedaan.

Inmiddels heeft de staatssecretaris van Financiën een lijst met vragen en antwoorden gepubliceerd waarin wordt aangegeven hoe de belastingdienst uitvoering zal geven aan het arrest van de Hoge Raad betreffende de teruggaaf van btw op de aanschaf van zonnepanelen. Het aanvraagproces voor btw-teruggaaf is hierdoor eenvoudiger.

Informatie hierover vindt u via bijgevoegde link:  https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2018/04/03/staatssecretaris-geeft-uitvoering-aan-uitspraak-hr-over-btw-teruggaaf-zonnepanelen

Het zou overigens ook niet ondenkbaar kunnen zijn dat de huidige regelgeving betreffende de teruggaaf van btw meer in overeenstemming zal worden gebracht met artikel 213 van de BTW-richtlijn 2006/112. Dit wetsartikel bepaalt o.a. dat iedere belastingplichtige opgave moet doen van het begin van zijn activiteit als belastingplichtige. Die opgave kan worden aangemerkt als een verzoek om te worden uitgenodigd tot het doen van aangifte. Als een inspecteur dan een aangiftebiljet uitreikt en daarvoor een datum stelt waarbinnen de aangifte moet zijn gedaan, kan worden vermeden dat pas na heel veel jaren om een teruggave wordt verzocht.

Mocht u naar aanleiding hiervan nog vragen hebben, dan kunt u hiermee terecht bij onze btw-specialist Katelijne ten Thije. Zij is bereikbaar via k.ten.thije@fullfinance.nl of 055 355 99 79.

Bron: ECLI:NL:HR:2017:3127