Als een onderneming (IB-onderneming, maar ook een bv) buiten de gemeenschap valt (lees: privévermogen is), komt ten bate van de gemeenschap een redelijke vergoeding voor arbeid, kennis en vaardigheden die de echtgenoot ten behoeve van die onderneming heeft aangewend, voor zover een dergelijke vergoeding niet al op andere wijze ten bate van beide echtgenoten komt of is gekomen.

Dit is met ingang van 2018 een nieuwe regeling in boek 1 BW (artikel 95a).

Het is een open norm die nog moet worden ingevuld door praktijk en rechtspraak. Het is onduidelijk wat onder de begrippen valt, wat een redelijke vergoeding is, wanneer deze vergoeding opeisbaar wordt etc. Wat wel duidelijk is, is dat partijen hierover afspraken moeten gaan maken die zij moeten vastleggen in huwelijkse voorwaarden.

Even wat nauwkeuriger: de regeling geldt alleen als de onderneming tot het privévermogen behoort en de ondernemer met zijn/haar partner is gehuwd waarbij er wel een gemeenschap van goederen bestaat. Als partners huwen zonder enige gemeenschap van goederen (of slechts een gemeenschap van inboedel), dan wordt aan de werking van 1:95a BW niet toegekomen.

Opvallend is dat artikel 1:95a BW directe werking kent. Er is geen overgangsrecht van toepassing en geldt dus ook direct voor ‘bestaande gevallen’ (personen die voor 1 januari 2018 zijn gehuwd). Denk aan de ondernemer die de zaak van ouders geschonken of geërfd heeft gekregen met een uitsluitingsclausule (waardoor de onderneming privévermogen is), terwijl de ondernemer wel gehuwd is in een gemeenschap van goederen. Ook deze moet zich nu realiseren dat de regeling van artikel 1:95a BW op hen toepassing is!

Meer informatie nodig: bel of mail Sandra Twigt (055-3559979) of s.twigt@fullfinance.nl.

Ook een inhousecursus over het nieuwe huwelijksvermogensrecht is beschikbaar.