Is interen op vermogen om belasting te betalen toch een buitensporige last?

We hebben in deze nieuwsbrief al regelmatig aandacht besteed aan het fenomeen van de heffing in box 3 en de vraag of dat een individuele en buitensporige last is. Tot nu toe heeft de Hoge Raad steeds de boot afgehouden en is dit niet als individuele buitensporige last aangemerkt. Daarbij merk ik op dat dit altijd ging over personen met een aanzienlijk inkomen en vermogen. Maar nu lijkt een doorbraak plaats te vinden ten aanzien van personen die geen hoog inkomen of vermogen hebben.

In deze procedure had iemand in 2016 een belastbaar inkomen in box 1 van € 14.444 en in box 3 van € 6.522. Het rendement over het box 3-vermogen bedroeg € 1.761 en de daarover verschuldigde belasting bedroeg € 1.543. Hier hoeft dus niet ingeteerd te worden op het vermogen in box 3. Het Gerechtshof wijst het bezwaar af en mocht dat ook doen van de Hoge Raad.
In 2017 was bij een nagenoeg gelijk inkomen en vermogen het rendement in box 3 € 1.244. De belasting bedroeg € 1.354. In dit geval is dus wel sprake van interen op vermogen. En dan lijkt het oordeel anders uit te vallen.

De Hoge Raad concludeert namelijk dat interen op vermogen om belasting te betalen in zijn algemeenheid niet de bedoeling is.

Ik vermeld hieronder vanwege de lastig te vertalen overwegingen de integrale tekst van het arrest van de Hoge Raad op dit onderdeel.

4.3.2.Belastingheffing is te beschouwen als regulering van eigendom in de zin van artikel 1 EP bij het EVRM. Artikel 1 EP bij het EVRM brengt mee dat een inbreuk op het recht op ongestoord genot van eigendom slechts is toegestaan indien er een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd. Dit vereist het bestaan van een redelijke verhouding (fair balance) tussen voormeld algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Van een dergelijke redelijke verhouding is geen sprake indien de betrokken persoon wordt getroffen door een individuele en buitensporige last. Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keus van de middelen om dit belang te dienen, komt de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe.Vgl. HR 3 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BC2816.
4.3.3.Bij de beoordeling of de belastingplichtige door de box 3-heffing wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last, moet de rechter die heffing bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokkene.Vgl. HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:831. De rechter moet bij zijn onderzoek of de heffing een individuele en buitensporige last vormt, alle relevante feiten en omstandigheden in zijn oordeel betrekken. In een geval als dit, waarbij de vraag voorligt of de heffing van IB/PVV leidt tot een individuele en buitensporige last indien de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen hoger is dan het werkelijke rendement, moet ook in aanmerking worden genomen of en in hoeverre een belastingplichtige een zodanig laag inkomen heeft dat hij op zijn vermogen moet interen om de belasting te voldoen. In het algemeen kan immers worden aangenomen dat de wetgever met een belasting naar inkomen geen heffing beoogt waardoor de belastingplichtige op zijn vermogen moet interen om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen. Daarom kan de omstandigheid dat de belastingplichtige door de heffing inteert zoals hier bedoeld, een aanwijzing zijn dat hij door die heffing wordt geconfronteerd met een buitensporige last.

Er was overigens wel sprake van een eigen woning zonder hypotheekschuld, maar die wordt volledig in box 1 in aanmerking genomen (ook forfaitair) en lijkt dus niet van invloed voor de omvang van het vermogen waaruit de box 3-heffing moet worden voldaan.

Ten overvloede: voor 2016 had het Gerechtshof terecht geoordeeld dat de box 3-heffing op stelselniveau weliswaar mogelijk strijdig is met EU-recht, maar dat de rechter niet mag ingrijpen. Dat is in lijn met een eerder arrest van de Hoge Raad. Voor 2017 had het hof dezelfde conclusie getrokken, maar dat was niet toegestaan volgens de Hoge Raad, aangezien voor een deel sprake is van een rechtsvraag waarover nog niet definitief is beslist.

Het laatste woord is hierover dus nog lang niet gezegd, en de kans is aanwezig dat er talloze procedures zullen volgen waarin het interen op vermogen als argument wordt aangehaald om de box 3-heffing ongegrond te verklaren in individuele gevallen. Prettig is echter de constatering dat je wel iets moet overhouden na de betaling van belasting!

Bel voor vragen hierover naar ons kantoor in Apeldoorn op nummer 055-3559979.