Lijfrentepremie niet aftrekbaar voor bijdrage Zorgverzekeringswet

Belanghebbende en zijn echtgenote staken in 2016 hun onderneming. Voor de stakingswinst wordt een lijfrentepremie bedongen. Deze lijfrentepremie komt volgens de inspecteur wel in mindering op het belastbaar inkomen van belanghebbende, maar niet in mindering op de grondslag van de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet.

Belanghebbende gaat in beroep bij Rechtbank Gelderland en stelt te worden gediscrimineerd, omdat bij andere verzekerden voor de Zorgverzekeringswet de opbouw van oudedagsvoorzieningen, zoals bij pensioenopbouw en dotaties voor de oudedagsreserve, wel aftrekbaar is.

Rechtbank Gelderland stelt de inspecteur, met een verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2018, nr. 17/03140, in het gelijk. Belanghebbende gaat in sprong(cassatie) bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelt dat de ongelijke behandeling niet discriminerend is. Vanwege de uitvoerbaarheid van de wetgeving is er uitdrukkelijk van afgezien om voor de inkomensafhankelijke bijdrage rekening te houden met draagkrachtverminderende factoren. Hiervan kan niet worden gezegd dat dit een redelijke grond mist of de wetgever zijn ruime beoordelingsvrijheid heeft overschreden. Belanghebbende wordt in het ongelijk gesteld.

De uitkomst van het arrest is dat de dubbele bijdrageheffing voor de Zorgverzekeringswet in stand blijft. De stakingswinst vormt voor belanghebbende bijdrage-inkomen, maar de lijfrentepremie voor de stakingswinst komt hierop niet in mindering. De lijfrentetermijnen die ontvangen gaan worden, vormen opnieuw bijdrage-inkomen. Dit raakt iedereen die met een lijfrente een oudedagsvoorziening opbouwt, met name zelfstandigen en werknemers die een aanvullende oudedagsvoorziening wensen te vormen.

Werknemers die via hun werkgever pensioen opbouwen, hebben geen last van deze dubbele heffing, omdat de pensioenpremie in mindering komt op het loon. Ook de dotatie aan de oudedagsreserve die de zelfstandige doet komt in mindering op het bijdrage-inkomen.
Op grond van het hiervoor genoemde arrest van 23 november 2018 vormt ook de vrijval van de oudedagsreserve bij omzetting van die oudedagsreserve in een lijfrentevoorziening, geen bijdrage-inkomen.

De Hoge Raad laat deze dubbele heffing dus in stand. Het beroep op de (on)uitvoerbaarheid van de wetgeving is dan opvallend. Zo moeilijk kan het toch niet zijn om de lijfrentepremie in aanmerking te nemen bij de vaststelling van het bijdrage-inkomen? De uitkomst van het arrest van 23 november 2018 is nota bene al wel in wetgeving omgezet.

Met de gevolgen van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 over de box 3-heffing zal de Belastingdienst beduidend meer (uitvoerings)problemen hebben, zo is nu al gebleken …..!

Mocht je vragen hebben, neem dan contact op met Rob Lendering (via r.lendering@fullfinance.nl of 055 355 99 79).

Bron:
Arrest Hoge Raad, 4 februari 2022, nr. 21/01274, ECLI:NL:PHR:2021:934