Lijfrentepremie voor afname oudedagsreserve bij staking telt niet mee voor grondslag bijdrage Zorgverzekeringswet

De Hoge Raad heeft op 23 november 2018 beslist, dat een belastingplichtige die bij staking van zijn IB-onderneming de oudedagsreserve aanwendt voor een lijfrente, het bedrag van de lijfrentepremie in mindering mag brengen op de grondslag voor de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet (hierna “Zvw”).

De belastingplichtige had bij het staken van zijn onderneming in 2014 een stakingswinst behaald van € 32.196. Deze stakingswinst bestaat geheel uit de belaste afname van de oudedagsreserve. Tot een bedrag van € 18.500 heeft belanghebbende de stakingswinst omgezet in een lijfrente, welk bedrag hij als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in mindering heeft gebracht op zijn inkomen uit werk en woning.

De inspecteur houdt bij het vaststellen van de aanslag voor de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw geen rekening met de aftrek voor uitgaven voor inkomensvoorzieningen.

De rechtbank geeft vervolgens de inspecteur gelijk (geen gelijke gevallen); het Hof geeft daartegen de belastingplichtige gelijk. Volgens het Hof wordt de belastingplichtige ongelijk behandeld ten opzichte van de werknemer die een pensioen opbouwt, omdat bij de werknemer de uitgaven voor aanspraken op pensioen wel het bijdrage-inkomen verminderen. Volgens het Hof is er ook geen objectieve rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling en dat ook overigens niet is gebleken van een voldoende concrete en gewichtige reden om die ongelijke behandeling te kunnen rechtvaardigen.

Het Hof heeft artikel 43 Zorgverzekeringswet echter niet onverbindend verklaard en de aanslag ook niet verlaagd, omdat het Hof meent dat rechtsherstel buiten zijn rechtsvormende bereikt ligt.

De belastingplichtige gaat in cassatie bij de Hoge Raad. De Hoge Raad is het met het Hof eens dat de belastingplichtige de lijfrentepremie in mindering mag brengen op de grondslag voor de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zvw. Daarnaast is de Hoge Raad van oordeel dat de Belastingplichtige wél rechtsherstel geboden moet worden. De Hoge Raad stelt het bijdrage-inkomen Zvw van de belastingplichtige zelf vast op nihil.

De Hoge Raad beslist dus dat de lijfrentepremie die is betaald in verband met de omzetting van de oudedagsreserve, aftrekbaar is van het bijdrage inkomen Zvw. Deze omzetting kan plaatsvinden bij de staking van de onderneming, zoals in de casus bij de Hoge Raad, maar ook gedurende het bestaan van de onderneming op basis van artikel 3.70, lid 1, onderdeel a en artikel 3.128 Wet IB 2001. Dit geeft de belastingplichtige dus de mogelijkheid om de jaarlijks betaalde lijfrentepremie in verband met de omzetting van de oudedagsreserve in mindering te brengen op het bijdrage inkomen Zvw.

Het lijkt er op dat de Hoge Raad het arrest beperkt tot lijfrente(premies) voor de oudedagsreserve en dus niet van toepassing is op lijfrentepremies in verband met de omzetting van stakingswinst op basis van artikel 3.129  Wet IB 2001.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Rob Lendering, tel. 055 – 355 99 79 of r.lendering@fullfinance.nl

 

 Bron: Hoge Raad, 23 november 2018, nr. ECLI:NL:HR:2018:2175

2018-12-05T11:33:01+00:00