Binnen het mkb zijn er veel familiebedrijven. Bij een man-vrouwfirma zijn er twee ondernemers en willen beiden in aanmerking komen voor de ondernemersfaciliteiten, zoals de zelfstandigenaftrek. Voor bepaalde aftrekposten (waaronder de zelfstandigenaftrek) moet aan het urencriterium worden voldaan. Gedurende het kalenderjaar moet de ondernemer ten minste 1225 uur aan werkzaamheden voor de onderneming besteden.

Binnen een samenwerkingsverband tussen verbonden personen (bijv. de man-vrouwfirma) tellen werkzaamheden niet mee voor het urencriterium als deze:

  1. hoofdzakelijk (lees: 70% of meer) van ondersteunende aard zijn, én
  2. het ongebruikelijk is dat een dergelijke samenwerking tussen niet-verbonden personen wordt aangegaan.

In de jurisprudentie is duidelijk geworden dat de bewijslast voor de toepasselijkheid van de zelfstandigenaftrek (ofwel het voldoen aan het urencriterium) op de belastingplichtige rust en dat blijkt in de praktijk een lastige horde te zijn. Vermeldenswaard is een tweetal uitspraken van het Hof Arnhem-Leeuwarden (d.d. 21 juni 2017 ECLI:NL:GHARL:2017:5153 en 28 juni 2017 ECLI:NL:GHARL:2017:5339).

Het betrof man-vrouwfirma’s die respectievelijk een garage en een rietdekkersbedrijf exploiteerden. En u verwacht het wellicht al: in beide gevallen gaat het erom of mevrouw recht heeft op de zelfstandigenaftrek. De inspecteur stelde zich op het standpunt dat de werkzaamheden hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn en dat een dergelijk samenwerkingsverband tussen niet-verbonden personen ongebruikelijk is, en liet het aan de belastingplichtige over om dit te ontkrachten.

Het hof geeft in beide gevallen de belastingplichtigen gelijk. Beide dames hebben recht op de zelfstandigenaftrek. Belangrijk is volgens het hof dat de wettekst vereist dat aan beide cumulatieve vereisten is voldaan willen de uren niet meetellen. Voor de toepassing van het urencriterium is het voldoende (en tellen alle werkzaamheden mee) als hetzij de werkzaamheden niet hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn, hetzij het samenwerkingsverband tussen niet-verbonden personen niet ongebruikelijk is.

Hof achtte voldoende aannemelijk gemaakt dat bij autobedrijven/rietdekkersbedrijven als dat van belanghebbende en haar echtgenoot een samenwerkingsverband met een vergelijkbare winstverdeling en een vergelijkbare verdeling van de werkzaamheden ook tussen onafhankelijke derden voorkomt.

De staatssecretaris meldt tegen beide uitspraken niet in cassatie te gaan (MvF 1 augustus 2017, 2017-0000157926 en MvF 7 augustus 2016, 2017-0000143974).