Twee recente uitspraken van Hof Den Haag gaan over het ‘ambtelijke verzuim’. Bij aanwezigheid van een ambtelijk verzuim is navordering niet mogelijk. In de twee uitspraken ging het om de volgende gevallen:

  • De inspecteur raadpleegt niet de aangifte erfbelasting en de aangifte inkomstenbelasting van de echtgenote en merkt in de aangifte inkomstenbelasting van erflater niet op dat ten onrechte geen ab-vervreemdingsvoordeel is aangegeven.[1]
  • Belanghebbende wordt MIA geweigerd (meldingsformulier is te laat bij het Bureau IRWA binnengekomen en bureau IRWA meldt dit aan belanghebbende en aan de belastingdienst), maar belanghebbende claimt de MIA toch in de aangifte. Desondanks wordt de aangifte geselecteerd voor automatische afdoening en wordt de aanslag conform de aanslag opgelegd.[2]

In beide gevallen oordeelt het Hof Den Haag dat navordering niet mogelijk is. In de eerste situatie omdat het een feit betreft dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn (waarbij uit de uitspraak niet blijkt of sprake is van een belastingplichtige die ‘te kwader trouw is’, zie artikel 16, eerste lid slotzin, AWR). De inspecteur had nader onderzoek moeten doen en de IB-aangifte van de partner en de aangifte erfbelasting moeten raadplegen, aldus het hof.

Met name in de tweede situatie is het aannemelijk dat de belanghebbende bewust handelt en de MIA toch claimt. De inspecteur beroept zich op artikel 16, tweede lid, onderdeel c van de AWR: een fout die door middel van navordering kan worden hersteld. Onder fout wordt volgens de wetsgeschiedenis in elk geval verstaan een schrijf-, reken-, overname-, en intoetsfout ten gevolge van de geautomatiseerde verwerking van aangiften. Maar onder fout wordt niet verstaan de gevallen waarin de belastingaanslag onjuist is vastgesteld als gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten of het recht (de beoordelingsfout).

Inspecteur beroept zich op het feit dat het voor belanghebbende kenbaar moet zijn geweest dat de geclaimde MIA ten onrechte niet is gecorrigeerd. Rechtbank en hof gaan daar niet in mee. Een beoordelingsfout kan niet via navordering worden hersteld, en dat geldt ook als het voor de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar was dat de aanslag niet, dan wel tot een te laag bedrag is vastgesteld, aldus het hof (daarbij verwijzend naar een arrest van de Hoge Raad van 27 juni 2014[3]).

Ten overvloede: wellicht had de inspecteur in deze tweede casus meer kans op succes gehad als hij zich tevens had beroepen op het eerste lid van artikel 16 AWR en gesteld had dat de belastingplichtige ‘te kwader trouw’ was door, ondanks de afwijzing, toch de MIA te claimen.

 

[1] Hof Den Haag, 7 augustus 2018, 18/00502, ECLI:Nl:GHDHA:2018:2025

[2] Hof Den Haag, 3 juli 2018, nr.BK-17/00904, ECLI:NL:GHDHA:2018:1657 (cassatietermijn is inmiddels verlopen en navraag bij de Hoge Raad leert dat geen cassatie is ingesteld)

[3] Hoge Raad 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1528