Op 28 maart 2017 is het initiatiefwetsvoorstel aangenomen door de Eerste Kamer en het treedt per 1 januari 2018 in werking. In een kamerbrief ‘verduidelijkt’ staatssecretaris Wiebes de fiscale gevolgen van de nieuwe regeling (1).

Maar niets is wat het lijkt ….

Vergoedingsrechten

Het nieuwe huwelijksvermogensrecht borduurt voort op een eerdere wijziging van boek 1 van het BW met ingang van 1 januari 2012. Op dat moment werd de beleggingsleer voor vorderingsrechten geïntroduceerd. Stel dat echtgenoot A eigenaar is van alle aandelen in BV X die volgestort zijn door echtgenoot B (€ 20.000) vanuit B’s privévermogen. Na verloop van jaren gaan A en B scheiden en op dat moment zijn deze aandelen € 420.000 waard. Duidelijk is dat B een vorderingsrecht heeft op A. Ook duidelijk is (artikel 5e AWR) dat A de ab-houder is en ooit in box 2 moet afrekenen. Maar hoe hoog is nu de vergoedingsvordering van B? Is deze bruto (€ 420.000) of € 320.000 (netto na aftrek van 25% ab-heffing over € 420.000 -/- € 20.000). Bij een bruto vergoeding komt B geld te kort ….

Tijdens de parlementaire behandeling hebben de initiatiefnemers van het wetsvoorstel geantwoord dat het vergoedingsrecht een netto vergoedingsrecht is. Staatssecretaris Wiebes ontwijkt de problematiek door te melden dat de vergoedingsregeling een “civielrechtelijke aangelegenheid” is.

Nog een voorbeeld. C en D zijn getrouwd. De woning is van C, maar de financiering is gedaan door D vanuit diens privévermogen. C is en blijft eigenwoningeigenaar en realiseert bij vervreemding van de woning een eigenwoningreserve (bijleenregeling). Maar de meerwaarde van de woning komt op grond van het vergoedingsrecht ten goede aan D. Als C een nieuwe woning wil aanschaffen, wordt zijn maximale eigenwoningschuld beheerst door de bijleenregeling, terwijl C – na de vergoeding aan D – niet de beschikking meer heeft over de gerealiseerde meerwaarde ….

De problematiek van de vergoedingsrechten en de werking van artikel 5e AWR kent nog vele open einden…. En in het nieuwe stelsel krijgen we veel vaker te maken met vergoedingsrechten.

De reële vergoeding

Uitgangspunt van het nieuwe stelsel is dat wat gedurende het huwelijk wordt verdiend, binnen de gemeenschap van goederen valt. Als een van beide partners voor het huwelijk een onderneming heeft, blijft deze onderneming onder het nieuwe stelsel privévermogen. Alsdan moet een ‘redelijke vergoeding’ (artikel 1:95a BW) ten bate (of ten laste) van de gemeenschap komen. Wat is dan een redelijke vergoeding en hoe moet de waardeontwikkeling van de onderneming worden bepaald?

En is die redelijke vergoeding alleen voor de onderneming van toepassing of ook voor de terbeschikkingstellingsregeling? Stel dat meneer de onderneming drijft en mevrouw het haar toebehorende en door haar gefinancierde pand aan de zaak ter beschikking stelt. Moet zij over deze inkomsten ook iets ‘vergoeden’ aan de gemeenschap? De wet rept alleen over ‘de onderneming’….

En als een redelijke vergoeding achterwege is gebleven?

Wat als zaaksvervanging optreedt? Bijvoorbeeld als het bedrijfspand van de IB-onderneming met eigen vermogen gefinancierd, wordt vervangen door een groter en duurder pand dat voor meer dan de helft met geleend geld wordt gefinancierd? Op basis van artikel 1:95 BW verschuift dit pand van privévermogen naar gemeenschapsvermogen (omdat het pand met minder dan 50% privévermogen is aangeschaft) en komt een eventuele meerwaarde deels aan de gemeenschap en deels (via het vergoedingsrecht) aan de IB-ondernemer toe. Hoe werkt dit fiscaal uit?

Voer voor conflicten en advocaten voorspel ik u, zeker als het om de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap gaat. U denkt dan waarschijnlijk aan de klanten die gaan scheiden, maar ook bij faillissement of bij overlijden is van belang te bepalen wat er in de boedel aanwezig is.

Het (nieuwe) huwelijksvermogensrecht biedt ook adviesmogelijkheden. In het zicht van overlijden de huwelijkse voorwaarden opheffen, is geen schenking en kan bij overlijden erfbelasting besparen.

Wilt u meer weten over het (nieuwe) huwelijksvermogensrecht, dan kunt u contact opnemen met mr. Sandra Twigt, s.twigt@fullfinance.nl. Ook een inhouse cursus is beschikbaar.

 

(1) 14 april 2017 2017-0000051053