De Hoge Raad was in zijn arrest van 8 juni 2018 snel klaar met het cassatieberoepschrift tegen de uitspraak van Hof Den Bosch uit 2017: “De door X aangedragen middelen kunnen niet tot cassatie leiden”. Maar waar ging het over in de casus bij Hof Den Bosch?

De echtgenoot van X heeft in 1990 zijn onderneming ingebracht in een bv. Voor de stakingswinst is een stamrecht bij de bv bedongen, inhoudende dat de bv vanaf 21 maart  1991 een levenslange uitkering van € 17.697 per jaar doet aan de echtgenoot en X, op beider leven. De stamrechtverplichting rent jaarlijks op met 6%. De aandelen van de bv worden vanaf de oprichting gehouden door twee zonen van de echtgenoot en X.

De echtgenoot overlijdt in 2000. X wordt na overlijden enig bestuurder van de bv. De stamrechtuitkeringen voor X zijn daarna grotendeels bijgeschreven als vordering op de bv. Vanaf 2008 beschikte de bv niet meer over voldoende vermogen om de vordering op X af te lossen en daarnaast nog lijfrente-uitkeringen te doen. Toch werd in jaren 2008 tot en met 2011 jaarlijks de volledige stamrechtuitkering bijgeschreven op de vordering van X op de bv en aangegeven in Box 1.

De balans van de bv zag er die jaren als volgt uit:

Na 2011 zijn er geen stamrechtuitkeringen meer gedaan of bijgeschreven. In 2013 is, vooruitlopend op de liquidatie van de bv, € 104.495 aan belanghebbende uitbetaald als aflossing op de vordering en voor de betaling van de resterende schulden van de bv.

In geschil was – uiteindelijk – (de adviseur kwam er in 2014 achter dat de vordering van X op de bv tot en met 2011 als tbs-vordering in Box 1 was aangegeven) of:

1. X in 2010 en 2011 de stamrechtuitkeringen heeft genoten? en zo ja:

2. Wat de waarde is van de genoten stamrechtuitkeringen?

1. Stamrechtuitkering genoten?

Het hof oordeelt dat artikel 3.146, lid 1 Wet IB 2001 van toepassing is en dat X in 2010 en 2011 de stamrechtuitkeringen heeft genoten, omdat die uitkeringen vorderbaar en inbaar waren. Bovendien zijn de uitkeringen in die jaren rentedragend geworden, omdat ze zijn omgezet in een vordering op de bv. Daarbij is niet relevant, dat er eind 2010 en eind 2011 onvoldoende activa aanwezig waren.

2. Waarde van de stamrechtuitkering?

Het hof oordeelt hierover dat vaststaat dat de uitkeringen in 2010 en 2011 niet in geld zijn genoten. Artikel 3.144 Wet IB 2001 bepaalt dat niet in geld genoten uitkeringen in aanmerking worden genomen naar de waarde die daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend. Dat is de prijs die een onafhankelijke derde voor het recht op deze stamrechtuitkering zou willen betalen.

Op basis van de balanspositie van de bv en de bestaande onderdekking, moet de waarde van stamrechtuitkeringen worden gebaseerd op de bestaande dekkingsgraad van de vordering op de bv, waarbij rekening mag worden gehouden met een discount voor de onzekerheden rond de aflossing. Deze discount wordt op 10% gesteld.

In cijfers

Voor 2010:
– Dekkingsgraad ultimo 2010: (97.991 -/- 2.158)/143.881 = 66,6%
– Waarde stamrechtuitkering 2010: 90% van 66,6% van 17.697 = 10.608

Voor 2011:
– Dekkingsgraad ultimo 2011: (101.978 -/- 1.210)/162.865 = 61,8%
– Waarde stamrechtuitkering 2011: 90% van 61,8% van 17.697 = 9.843

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Rob Lendering, tel. 055 – 355 99 79 of r.lendering@fullfinance.nl

Bronnen: Hoge Raad, 8 juni 2018, nr. 17/04861; Hof Den Bosch, 7 september 2017, nrs. 16/03590 en 16/03591