Hoe moeilijk is het nou om deugdelijke wetgeving tot stand te brengen? Nou, heel moeilijk kennelijk.
Waarom deze woorden? Omdat ik me kapot erger aan de huidige kwaliteit van de wetgeving op fiscaal terrein en de onzekerheid die daardoor in de praktijk veroorzaakt wordt. Dat manifesteert zich op heel veel terreinen, waarvan ik met name even wijs op de eigenwoningregeling, de discussie omtrent de schijnzelfstandigheid, maar met name ook bij de bedrijfsopvolgingsregeling (“bor”). En over dit laatste gaat het nu.
Voor de bor geldt dat aan de bezitseis moet zijn voldaan. Die is 5 jaar bij schenking tijdens leven. Stel dat in één van die vijf jaren voorafgaand aan de schenking door een bv aandelen zijn ingekocht waarbij één aandeelhouder is uitgekocht. Daardoor stijgt het procentuele belang van de andere aandeelhouders. Vangt voor deze aandeelhouders dan een nieuwe bezitstermijn van 5 jaar aan? Die hebben hun aandelen namelijk al meer dan die 5 jaar.
Mijn initiële reactie was: “natuurlijk niet”! De aandeelhouders krijgen niet meer aandelen en worden niet rijker of armer. Immers, de uittredende aandeelhouder krijgt de waarde van de aandelen vergoed en die middelen stromen uit de bv. Weliswaar krijgen de zittende aandeelhouders een groter belang, maar qua waarde gaan ze er niet op vooruit.
Helaas, mijn initiële opvatting is waarschijnlijk niet juist. In 2023 is in KG:063:2023:20 een andersluidende uitleg door de Kennisgroep (“KG”) van de belastingdienst gegeven. Voor de stijging qua belang gaat gelet op de parlementaire behandeling een nieuwe bezitsperiode van 5 jaar lopen.
Het kon natuurlijk niet uitblijven dat hier ook jurisprudentie over zou verschijnen. En hoera: de rechtbank Noord-Nederland stelt op 16 april 2026 dat wel aan alle vereisten voor de bor is voldaan in geval van inkoop van aandelen, overigens zonder een woord te wijden aan het zojuist genoemde KG-standpunt. De vreugde was echter van korte duur. Rechtbank Den Haag publiceerde vlak daarna namelijk haar uitspraak van 7 april 2026 en oordeelde dat wel een nieuwe bezitstermijn ging lopen voor het ingekochte deel van de aandelen. In die uitspraak werd evenmin verwezen naar het KG-standpunt, maar wel naar het Hoge Raad-arrest inzake het kopen van een deelneming. Dus met een andere redenering wordt hetzelfde standpunt als dat van de KG gehanteerd. Ik vind het wel bijzonder dat de KG dit arrest niet noemde in haar overwegingen en dat beide rechtbanken het KG-standpunt niet aanhaalden in hun uitspraken.
Kortom: we weten het nog steeds niet. De slogan van de belastingdienst, die ik slechts met het schaamrood op de kaken durf aan te halen (“Leuker kunnen we het niet maken, wel gemakkelijker”), kan wat mij betreft de prullenbak in.
Wat de zaak vanaf 2026 vermoedelijk wel anders maakt, is dat de wetgever met ingang van 1 januari 2026 de wettekst van art. 35d Successiewet heeft aangepast. Dit is gebeurd naar aanleiding van de arresten inzake “Horen en Zien”. Nu is in de wet opgenomen dat slechts aan de bezitseis is voldaan voor zover in de afgelopen 5 jaar het belang niet is toegenomen. En daarmee is vrees ik het pleit vanaf dit moment beslecht en wordt bij een inkoop van aandelen voor de toename niet langer voldaan aan de bezitseis.
Ik blijf echter wel zitten met een kater omdat onze wetgever er niet van meet af aan in slaagt in duidelijke bewoordingen in de wet vast te leggen wat wel en niet kan of mag en dus de adviseur en de belastingplichtigen opzadelt met onzekerheid. Aan de andere kant: dat is natuurlijk wel waar wij onze boterham door kunnen beleggen. Maar het voelt gewoon heel vervelend aan dat je een klant geen zekerheid kunt bieden. Dat is in toenemende mate het geval op dit moment door de belabberde wetgeving. En daar heb ik een gruwelijk hekel aan!
Dit artikel is geschreven door Bert Driessen, fiscalist bij Full Finance Consultants. Bert is bereikbaar via 055-3559979 of b.driessen@fullfinance.nl
Publicatiedatum: 6 mei 2026