Het huwelijksvermogensrecht is vaak onderwerp van geschillen. De meeste geschillen doen zich voor bij een echtscheiding, maar denkbaar is dat ook bij faillissement of overlijden de problematiek zich kan voordoen.

Op 10 mei 2019[1] oordeelde de Hoge Raad dat tussen samenwonenden zonder samenlevingscontract geen sprake kon zijn van een vergoedingsrecht zoals dat wel van toepassing kan zijn tussen echtgenoten of geregistreerd partners. In deze casus betaalde mevrouw uit privévermogen de verbouwing van de woning van de man (ruim € 70.000). Bij het einde van de relatie meende mevrouw recht op een vergoeding te hebben. De Hoge Raad wees de eis van mevrouw af. Er bestond geen (eenvoudige) gemeenschap; de woning was namelijk alleen van meneer en vergoedingsrechten op basis van BW 1:87 zijn niet van toepassing (omdat zij niet waren getrouwd). Er was geen vergoedingsrecht op basis van een onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking en dan resteert wellicht een vergoedingsrecht op basis van de redelijkheid en billijkheid (doch daarvoor had mevrouw onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen).

In een andere casus[2] waren meneer en mevrouw in gemeenschap van goederen getrouwd. In een drietal jaren ontvangt mevrouw een schenking van € 10.000 waarop een uitsluitingsclausule van toepassing is. De geschonken bedragen zijn later overgeboekt naar de gemeenschappelijke bankrekening. Het huwelijk wordt later ontbonden. Mevrouw vindt dat zij het bedrag van de schenkingen nog tegoed heeft, meneer vindt dat zij ieder recht hebben op de helft. Volgens de Hoge Raad heeft mevrouw in beginsel jegens de gemeenschap recht op vergoeding van het geschonken bedrag. Dat dat bedrag is aangewend voor diverse bestedingen (huishouding, vakanties en consumptieve uitgaven) doet niet af aan het vergoedingsrecht van de vrouw; zij heeft recht op € 30.000. Het zou anders zijn uitgepakt als uit het gemeenschapsvermogen privéschulden van mevrouw zouden zijn voldaan of uitdrukkelijk of stilzwijgend zou zijn afgesproken dat mevrouw geen aanspraak op vergoeding zou hebben (wat op de weg van meneer had gelegen om daarvoor de feiten en omstandigheden aan te dragen).

Een duidelijk arrest van de Hoge Raad dat een einde maakt aan de verdeelde hofuitspraken tot nu toe.

Met ingang van 1 januari 2018 is de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen gewijzigd (in de beperkte gemeenschap van goederen). Schenkingen en erfenissen vallen nooit in de gemeenschap tenzij daaraan een insluitingsclausule is verbonden. Bij huwelijken gesloten onder het nieuwe wettelijke regime zal vaker sprake zijn van privévermogen als gevolg van voorhuwelijks vermogen (dat privé blijft) of tijdens het huwelijk ontvangen schenkingen en erfenissen. Het arrest van de Hoge Raad is dus relevant voor huwelijken voor en na 1 januari 2018. Het is belangrijk dat echtgenoten administreren wie welk privévermogen heeft en waaraan het wordt besteed.

Afkoopsom pensioen

De Hoge Raad heeft in september 2018 geoordeeld[3] dat een man aanspraak kan maken op een vergoedingsrecht van circa € 64.000 bij de afwikkeling van zijn scheiding. Het ging in deze casus om de afkoopsom van zijn buiten het huwelijk opgebouwde pensioen. Alleen pensioenrechten die tijdens het huwelijk zijn opgebouwd moeten op grond van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding worden verrekend. De afkoopsom werd geïnvesteerd in de aankoop van een woning. De Hoge Raad oordeelt dat de man een vergoedingsrecht toekomt met betrekking tot de in de woning geïnvesteerde afkoopsom.

Ontslagvergoeding

Meneer en mevrouw trouwen op 3 oktober 1986 in gemeenschap van goederen. Tijdens het huwelijk ontvangt de man twee ontslagvergoedingen van verschillende werkgevers; één in contanten, de andere zet hij om in een stamrecht bij zijn eigen bv. Het huwelijk eindigt in 2013 en partijen zijn verdeeld over de vraag wie waar recht op heeft. Mevrouw stelt recht te hebben op zowel het stamrecht als de ontslagvergoeding in contanten. Meneer stelt dat de aanspraken aan hem verknocht zijn en tot zijn privévermogen behoren.

De Hoge Raad[4] oordeelt dat gekeken moet worden naar de aard van de schadeloosstelling en dat het niet uitmaakt of die schadeloosstelling vervolgens is aangewend bij een professionele verzekeraar of bij de eigen bv. Als de schadeloosstelling uitsluitend gaat over vervanging van inkomen uit arbeid dat betrekking heeft op de periode vóór de echtscheiding of als de schadeloosstelling is bedoeld als oudedagsvoorziening, dan moet deze worden gedeeld.

Voor meer informatie over het huwelijksvermogensrecht, vergoedingsrechten etc. kunt u contact opnemen met mr. Sandra Twigt-Endema RB (s.twigt@fullfinance.nl).

publicatiedatum: 28 mei 2019

 

[1] ECLI:NL:HR:2019:707

[2] ECLI;NL;HR;2019:504

[3] ECLI:NL:HR:2018:1180

[4] HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:270