Advocaat-generaal (a-g) Ettema concludeert dat belanghebbende als voorzitter van diverse bezwaaradviescommissies weliswaar voor eigen rekening en risico economische activiteiten verricht, maar dat deze activiteiten voor rekening en onder verantwoordelijkheid van de bezwaaradviescommissies worden verricht. De a-g is daarom van mening dat belanghebbende voor deze werkzaamheden niet kwalificeert als (zelfstandig) belastingplichtige in de zin van de btw.

De belanghebbende in deze procedure is benoemd als lid van de bezwaaradviescommissie van (ten minste) twee ministeries. Niet in geschil is dat zij haar werkzaamheden voor deze ministeries verricht tegen een niet ‘symbolisch’ bedrag (de vacatiegelden). Bovendien verricht zij deze werkzaamheden in rechtstreeks verband met de in geding zijnde vacatiegelden. Volgens de a-g verricht zij deze werkzaamheden dan onder bezwarende titel.

Uit de bestreden uitspraak kan worden opgemaakt dat de vacatiegelden worden vastgesteld in overeenstemming met de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies (Wvac). De vergoeding is een vast bedrag per maand of per vergadering, en is een afgeleide van een salarisschaal voor rijksambtenaren. De omstandigheid dat het gaat om een wettelijk vastgestelde beloning, vormt geen belemmering om een ‘economische activiteit’ aan te nemen.

Ook al zijn de werkzaamheden van belanghebbende economische activiteiten, dat wil nog niet zeggen dat zij die werkzaamheden dan ook binnen het toepassingsbereik van de btw verricht. Dat zou alleen zo zijn als zij die werkzaamheden ook zelfstandig uitoefent.

De a-g beschrijft dat er bij de benoeming van belanghebbende geen sprake is van een verhouding van ondergeschiktheid met betrekking tot de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden. Belanghebbende is niet gebonden aan instructies van de ministeries en zal zich zelfstandig en onafhankelijk een mening moeten vormen over een geschil waarover de commissie advies moet uitbrengen.

Toch is de a-g, in tegenstelling tot het gerechtshof, met belanghebbende van mening dat zij níet zelfstandig optreedt als belastingplichtige voor de heffing van btw (art 9 BTW-Richtlijn 2006/112/EG) oftewel als btw-ondernemer.

Volgens de a-g lijkt de situatie van belanghebbende enigszins op die van de commissaris in het zogenoemde arrest-IO (HvJ 13-06-2019, zaak C-420/18) . Zij gaat immers een rechtsbetrekking aan met een derde (een ministerie), terwijl zij haar werkzaamheden verricht als lid van een orgaan zonder rechtspersoonlijkheid van die derde (de bezwaaradviescommissie). Belanghebbende is niet individueel verantwoordelijk voor de adviezen van de bezwaarcommissie.

De werkzaamheden worden dus verricht voor rekening en onder verantwoordelijkheid van de desbetreffende bezwaaradviescommissie. De a-g geeft de Hoge Raad in overweging de uitspraak van het gerechtshof te vernietigen, het beroep van belanghebbende gegrond te verklaren en teruggaaf te verlenen van het bedrag dat op aangifte is voldaan.

Als dit standpunt door de Hoge Raad wordt gevolgd, zou dit betekenen dat (bezwaaradvies)commissieleden en toezichthouders niet kwalificeren als btw-ondernemer voor de werkzaamheden die zij uit hoofde hiervan tegen vergoeding verrichten.

Deze uitspraak kan mogelijk ook gevolgen hebben voor zzp’ers die tegen vergoeding onder leiding en verantwoordelijkheid van hun opdrachtgever werkzaamheden verrichten. Op dit moment worden deze personen vaak als btw-ondernemer aangemerkt.

Wij zien dus met belangstelling uit naar het eindoordeel van de Hoge Raad. Uiteraard houden wij u hiervan op de hoogte.

Mocht u vragen hebben over dit onderwerp, dan kunt u hiermee terecht bij onze btw-specialist, mr. Katelijne ten Thije. Zij is bereikbaar via ons algemene telefoonnummer 055 355 99 79 of per e-mail: k.ten.thije@fullfinance.nl.

Bron: ECLI:NL:PHR:2019:1327

Publicatiedatum: 26 februari 2020