Het percentage echtscheidingen blijft vrij constant, blijkt uit cijfers van het CBS (cijfers tot en met 2017). In totaal eindigt 38,8% van de huwelijken in een echtscheiding na een huwelijksduur van gemiddeld 15,1 jaar. De man is dan gemiddeld 47,4 jaar, de vrouw 44,2.

Een deel van die scheidingszaken wordt via mediation afgewikkeld. Vaak is dat een advocaat. Soms hebben partijen ook een gezamenlijke advocaat of ieder heeft zijn eigen advocaat. Maar wie vaak niet aan tafel zit, is de accountant of fiscalist. En dat is een gemiste kans. In de jurisprudentie blijven uitspraken opduiken waar men onvoldoende aan de fiscale kanten van de zaak heeft gedacht. Dit is doorgaans op het gebied van de eigen woning, waarbij degene die in de woning blijft wonen alle hypotheekrente betaalt. Dat is economisch gezien wel logisch, maar fiscaal gaat dat fout omdat de schuld meestal voor 50% van de vertrekkende partner is. En de rente daarvoor kan de achterblijvende partner niet aftrekken. De oplossing is heel simpel maar wordt vaak vergeten of onjuist toegepast.

Ook op andere fiscale terreinen gaat het nodige mis blijkt uit twee recente uitspraken. En dan doel ik op de tijdige uitschrijving uit de basisregistratie personen (brp ). Twee voorbeelden.

Een stel is gehuwd en heeft drie kinderen. In maart 2014 verlaat de man de eigen woning en in augustus 2014 wordt de echtscheiding uitgesproken. In het convenant staat dat de woning in juni 2014 verkocht is. In het najaar van 2014 verhuizen de vrouw en de kinderen en ze laten zich uitschrijven uit de brp. Op verzoek van de kopers doet de man dat pas in maart 2015. De vrouw claimt in haar aangifte inkomstenbelasting over 2014 de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Een van de voorwaarden daarin is dat er geen partner mag zijn. Ondanks het feit dat al vanaf maart 2014 geen sprake meer was van samenwonen, is tot november 2014 nog wel sprake van partnerschap. Weliswaar is het huwelijk al ontbonden in augustus 2014, maar door de tekst van artikel 5a AWR en artikel 1.2 Wet IB is tot de uitschrijving van de vrouw nog sprake van fiscaal partnerschap. En dus bestaat geen recht op de geclaimde heffingskorting. De inschrijving in de brp is bepalend in dit geval. Dat naar maatschappelijke opvattingen de vrouw als ongehuwd kwalificeert, kan daaraan niet afdoen. De vrouw loopt een korting mis van thans € 2.835.

Een andere voorwaarde voor het recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting is dat een kind moet zijn ingeschreven in de brp bij degene die de korting claimt. Omdat dit niet mogelijk is bij beide ouders, is in de uitvoeringsregeling bepaald dat het kind doorgaans ten minste drie gehele dagen per week in elk van beide huishoudens moet verblijven. Dan hebben beide ouders recht op de korting. In dit geval stond de dochter bij de moeder ingeschreven. Op grond van de omgangsregeling verbleef het kind zes dagen bij de moeder, dan twee bij de vader, twee bij de moeder en dan vier bij de vader. Gemiddeld dus zes dagen bij de vader per twee weken en ook gemiddeld drie dagen per week. Maar dat is niet voldoende! Gemiddeld per twee weken is iets anders dan doorgaans drie dagen per week. De tekst van de wet geeft de doorslag. Zuur dat de man in dit geval de inkomensafhankelijke combinatiekorting misloopt.

Met een beetje zorgvuldige (fiscale) begeleiding had in beide gevallen dit nadelige gevolg voorkomen kunnen worden. Het zou prettig zijn als de echtscheidingspraktijk beseft dat het erbij halen van een fiscalist wel degelijk lonend kan zijn! Mocht u in de toekomst met dit soort situaties te maken krijgen, neem dan gerust even (bij voorkeur tijdig) contact op met drs. Bert Driessen (b.driessen@fullfinance.nl) of belt u Apeldoorn even (055-3559979). Dat voorkomt wellicht een “foutje, bedankt!”-scenario.

Publicatiedatum: 4 april 2019