Wat een rare titel zult u denken[1]. Het is een wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het Burgerlijk Wetboek, waarover in het najaar van 2018 een internetconsultatie heeft plaatsgevonden. Een van de artikelen uit dit wetsvoorstel is het aanpassen van het per 1 januari 2018 in werking getreden huwelijksgoederenrecht. Het huwelijksgoederenrecht dat uitgaat van het huwen in een beperkte gemeenschap van goederen in plaats van een algehele gemeenschap van goederen.[2] Uitgangspunt van het nieuwe stelsel is dat wat gedurende het huwelijk wordt verdiend, binnen de gemeenschap van goederen valt. In dat kader moet de regeling van de redelijke vergoeding (artikel 95a boek 1 BW) worden gelezen en voor dit artikel wordt alsnog overgangsrecht voorgesteld…

Een ondernemer of dga moet een redelijke vergoeding aan de gemeenschap betalen voor de kennis, vaardigheden en arbeid die deze voor de onderneming of bv heeft aangewend voor zover een dergelijke vergoeding niet al op een andere wijze ten bate van beide echtgenoten is gekomen (ofwel bij het vaststellen van de redelijke vergoeding gaat het om het vermogen dat in de onderneming/bv is achtergebleven door de inspanning van de partner/ondernemer).

Opvallend is dat artikel 1:95a BW directe werking heeft. Door het ontbreken van overgangsrecht geldt het ook voor ‘bestaande gevallen’ (personen die voor 1 januari 2018 zijn gehuwd). Denk aan de ondernemer die de zaak van ouders geschonken of geërfd heeft gekregen met een uitsluitingsclausule (waardoor de onderneming privévermogen is), terwijl de ondernemer gehuwd is in een (beperkte) gemeenschap van goederen.

In gemeld wetsvoorstel (waar u vast hele andere gevoelens bij had) is in artikel V alsnog overgangsrecht opgenomen, waarmee men wil verduidelijken dat het vergoedingsrecht niet geldt bij huwelijken die voor de inwerkingtreding van de wet (1 januari 2018) zijn gesloten. In een Koninklijk Besluit wordt bepaald wanneer de verschillende artikelen in werking zullen treden.

Is dan nu alles voor de ‘oude’ gevallen geregeld? Dat is niet met zekerheid te zeggen. Onduidelijk is of het alsnog te creëren overgangsrecht – net als het reeds bestaande overgangsrecht –  terugwerkt tot 1 januari 2018 of dat het werkt vanaf een andere datum (bij KB te regelen) en er toch nog een tussenliggende periode ontstaat met toepassing van de ‘redelijke vergoeding’.

Voor de goede orde: voor personen die wel met de ‘redelijke vergoeding’ te maken krijgen is de beste tip onderlinge afspraken te maken en die op te nemen in huwelijksvoorwaarden. De redelijke vergoeding is namelijk een open norm die nog moet worden ingevuld door praktijk en rechtspraak. Het is onduidelijk wat onder de begrippen valt, wat een redelijke vergoeding is, wanneer deze vergoeding opeisbaar wordt etc.

Regel het in elk geval! Het is bron voor geschillen als de redelijke vergoeding achterwege is gelaten en de huwelijksgemeenschap moet worden afgewikkeld, bijvoorbeeld bij echtscheiding, maar ook bij faillissement of overlijden is het van belang te bepalen wat er in de boedel valt.

Hebt u vragen over het huwelijksvermogensrecht, dan kunt u contact opnemen met mr. Sandra Twigt-Endema RB (055-3559979 of s.twigt@fullfinance.nl).

 

[1] Wet van XXX tot wijziging van met name het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het Burgerlijk Wetboek (tegengaan huwelijkse gevangenschap) (Keten ID: WGK009515).

[2] De gemeenschap bestaat uit alle goederen en schulden die tijdens het huwelijk door de echtgenoten zijn verkregen. Het voorhuwelijkse vermogen blijft privé (tenzij dit vermogen al in gezamenlijk eigendom was) en erfenissen en schenkingen zijn per definitie privévermogen (tenzij deze worden ‘ingesloten’).

Publicatiedatum: 4 april 2019