In deze zaak gaat het om een belanghebbende die in de jaren 2009 tot en met 2012 ten onrechte het verlaagde btw-tarief heeft toegepast. Begin 2014 informeert zij de belastingdienst over deze fout. De inspecteur legt vervolgens voor het verschil tussen het verlaagde en algemene tarief naheffingsaanslagen op. Daarnaast wordt een boete opgelegd en heffings-/belastingrente in rekening gebracht. Over het berekenen van de rente gaat het geschil voor de rechter.

Op grond van artikel 30f AWR (tekst tot 1 januari 2013) wordt met betrekking tot de btw heffingsrente berekend ingeval een naheffingsaanslag wordt vastgesteld vanwege de omstandigheid dat de verschuldigde belasting meer beloopt dan die welke is aangegeven. De heffingsrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het einde van het kalenderjaar of het boekjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft, en eindigt op de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet.

Artikel 30h AWR (tekst vanaf 1 januari 2013) bepaalt dat belastingrente in rekening wordt gebracht aan degene ten name van wie de naheffingsaanslag btw is gesteld, ingeval de naheffingsaanslag is vastgesteld na het einde van het kalenderjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft.

De belanghebbende in deze zaak stelt zich op het standpunt dat zij geen rente is verschuldigd. Daarvoor voert zij onder meer de volgende argumenten aan:

Als eerste stelt zij dat er per saldo geen sprake is van schade voor de schatkist, omdat haar afnemers over een volledig aftrekrecht beschikken en deze afnemers bij verrekening van de (door belanghebbende nagefactureerde) btw niet in aanmerking komen voor een rentevergoeding. De belastingdienst zou dus gebaat zijn bij de onjuiste wetstoepassing door belanghebbende, wat volgens belanghebbende strijdig is met doel en strekking van de wettelijke renteregeling.

Daarnaast stelt de belanghebbende dat de nageheven btw haar níet ter beschikking heeft gestaan, omdat zij in genoemde jaren het verlaagde btw-tarief aan de afnemers in rekening heeft gebracht en op aangifte heeft voldaan. Het tariefverschil is pas achteraf gefactureerd aan haar afnemers.

Tot slot is belanghebbende van mening dat in de gegeven situatie het evenredigheidsbeginsel met zich meebrengt dat moet worden afgezien van het berekenen van rente. Tevens vindt de belanghebbende dat de rente niet moet worden berekend over de nageheven btw-bedragen, maar over een lager bedrag.

De argumenten kunnen belanghebbende helaas niet baten. Het gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank dat heeft geoordeeld dat het in rekening brengen van belasting-/heffingsrente niet in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De inspecteur krijgt gelijk. De rente (totaal bijna € 50.000) is terecht opgelegd.

Een uitspraak die weer eens waarschuwt hoe belangrijk het is voor ondernemers om “btw-in-control” te zijn. Wilt u dit laten checken door onze btw-specialist mr. Katelijne ten Thije, of met haar sparren over btw-vraagstukken? U kunt haar bereiken per e-mail (k.ten.thije@fullfinance.nl) of via ons kantoornummer 055 355 99 79.

Bron: ECLI:NL:GHAMS:2018:4922

Publicatiedatum: 27 februari 2019