Een vermogende man (€ 150 mio) trouwt in 2008 met een mevrouw die slechts een miljoen bezit. Zij maken huwelijkse voorwaarden op die bepalen dat er een beperkte gemeenschap is die enkel bestaat uit een en/of-rekening waarop meneer € 10 mio stort. De inspecteur stelt dat in 2008 sprake is van een schenking van meneer aan mevrouw en legt aan mevrouw een aanslag schenkingsrecht op.

Rechtbank Gelderland oordeelt dat geen sprake is van een schenking en verwijst daarbij naar:

  • Jurisprudentie van de Hoge Raad uit 1959 en 1971. Deze jurisprudentie is gewezen onder het oude huwelijksvermogensrecht (de wettelijke algehele gemeenschap van goederen, geldend tot 1 januari 2018) waarbij een wijziging van de huwelijksvoorwaarden tijdens het huwelijk geen schenking inhoudt en
  • Een algemeen aanvaard uitgangspunt dat het aangaan van een huwelijk geen schenking inhoudt.

Zouden bovenstaande overwegingen anders kunnen uitwerken bij het nieuwe huwelijksvermogensrecht vanaf 1 januari 2018 (waarbij sprake is van een beperkte gemeenschap van goederen)?

En een vervolgvraag is of het relevant is waaruit die beperkte gemeenschap bestaat. Is één bestanddeel (bijvoorbeeld een en/of-rekening of een gezamenlijk pand) voldoende?

In het wetsvoorstel Overige Financiële Maatregelen 2018 was voorgesteld om wettelijk vast te leggen dat een vermogensverschuiving tussen echtgenoten tot een grens van 50% onder omstandigheden geen schenking is. Dit onderdeel van het wetsvoorstel is bij amendement gesneuveld. Wel heeft de staatssecretaris van Financiën in een besluit (29 maart 2018, nr. 2018-45958) goedkeuringen gegeven dat geen sprake is van een schenking:

  1. bij het aangaan van of wijziging naar een algehele gemeenschap van goederen bij huwelijkse voorwaarden (par. 3.2.1)
  2. bij het opnemen van een wederkerig finaal verrekenbeding (bij einde van het huwelijk verrekenen alsof er sprake is van een wettelijke of algehele gemeenschap van goederen) (par. 3.2.2) en
  3. als een van beide echtgenoten direct voorafgaand aan het aangaan van of het wijzigen in een algehele gemeenschap van goederen meer vermogen bezit dan de andere echtgenoot en de verdeelsleutel 50-50 blijft, mits de meest vermogende echtgenoot gerechtigd blijft tot ten minste 50% van het tot de algehele gemeenschap van goederen behorende vermogen.

Er blijven nog wel een aantal punten onderbelicht:

  • Artikel 1:100 BW bepaalt nadrukkelijk dat ook een andere verdeelsleutel dan 50-50 mogelijk is waarbij er toch sprake blijft van een algehele gemeenschap van goederen (dit standpunt was al wel ingenomen door de staatssecretaris van Financiën in een Brief van 6 februari 2012, Kamerstukken II 2011/12, 28 867, nr. 28, p. 4).
  • Onduidelijk is of de tekst van de goedkeuring onder 2 ook geldt als er naast privévermogen een beperkte gemeenschap van goederen bestaat en in de huwelijksvoorwaarden een finaal verrekenbeding is opgenomen.
  • De goedkeuring onder 3 lijkt niet te gelden als er een beperkte gemeenschap wordt aangegaan of er een finaal verrekenbeding wordt opgenomen waarbij de verrekening is beperkt tot een bepaald bedrag.

Terugkomend op de uitspraak van de Rechtbank Gelderland. De rechtbank vernietigde de aanslag schenkbelasting. De inspecteur heeft tegen de uitspraak hoger beroep ingesteld. De strekking van bovenvermeld besluit uit 2018 is dat een vermogensverschuiving van minder dan 50% (op een totaal vermogen van € 150 miljoen wordt ‘slechts’ € 10 miljoen op de en/of-rekening gestort) niet tot een schenking leidt. En als het meerdere geen schenking is (een overgang naar een algehele gemeenschap van goederen; in onderhavige casus betekent dat € 75 mio), dan is het vreemd dat het mindere (een beperkte gemeenschap van goederen) wel een schenking zou inhouden. Met deze inzichten valt van het hoger beroep weinig te verwachten. Maar wellicht wordt met het hoger beroep een principiële uitspraak uitgelokt. Daar kan de fiscale praktijk wel bij gebaat zijn.

We houden u op de hoogte van de ontwikkelingen!

Publicatiedatum: 27 februari 2019