Recent is een conclusie van advocaat-generaal Ettema gepubliceerd over de btw-onderwijsvrijstelling.
In de zaak staat een stichting centraal die leerkrachten inzet voor lesgevende taken op basisscholen. De stichting stelt dat op haar werkzaamheden de btw-onderwijsvrijstelling van toepassing is.
Volgens de a-g kan de onderwijsvrijstelling hier echter niet worden toegepast. Belangrijkste punt is dat de stichting geen (door de lidstaat) erkende onderwijsinstelling is, terwijl die erkenning volgens de a-g wel van belang is voor toepassing van deze vrijstelling. Het gerechtshof kwam eerder ook al tot deze conclusie.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel helpt de stichting volgens de a-g ook niet verder. Hoewel daar nationaalrechtelijk mogelijk ruimte voor zou zijn, staat het beperktere Unierechtelijke vertrouwensbeginsel volgens de conclusie aan honorering daarvan in de weg.
Daarnaast maakt de conclusie duidelijk dat ook de aard van de prestatie een rol speelt. De werkzaamheden lijken in deze zaak niet zozeer te bestaan uit het zelf verzorgen van onderwijs, maar eerder uit het beschikbaar stellen van leerkrachten aan scholen, waarbij die leerkrachten onder verantwoordelijkheid van de school werken. Op basis daarvan kwalificeert de prestatie volgens de a-g dan niet als een (vrijgestelde) onderwijsdienst, maar eerder als het btw-belast ter beschikking stellen van leerkrachten.
De a-g adviseert de Hoge Raad om het cassatieberoep van de stichting ongegrond te verklaren. Het is nu afwachten wat het eindoordeel van de Hoge Raad zal zijn.
Heb je klanten die binnen de onderwijsbranche werkzaam zijn en een btw-vrijstelling toepassen, dan kan het verstandig zijn om kritisch na te gaan of wel aan alle voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling wordt voldaan.
Als je vragen hebt of hier eens over wilt sparren, neem dan contact op met onze btw-specialist, Katelijne ten Thije. Je kunt haar bereiken per e-mail via k.ten.thije@fullfinance.nl of telefonisch op nummer 055 355 99 79.
Bron: ECLI:NL:PHR:2026:342, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 27-03-2026, zaaknummer 24/03250
Publicatiedatum: 16 april 2026