In het arrest van 23 november 2018 heeft de Hoge Raad beslist dat het bijdrage-inkomen voor de Zorgverzekeringswet wordt verlaagd met de lijfrentepremie in verband met de omzetting van de oudedagsreserve.

Naar aanleiding van dit arrest bleef de vraag onbeantwoord of ook de lijfrentepremie in verband met de stakingswinst (artikel 3.129 Wet IB 2001) of met de overige in artikel 3.127 Wet IB 2001 genoemde gevallen (jaar- en reserveringsruimte), aftrekbaar zijn bij de berekening van het bijdrage-inkomen, hoewel het erop leek dat de Hoge Raad het arrest beperkt tot lijfrentepremieaftrek voor de oudedagsreserve.

Rechtbank Noord Nederland heeft op 20 december 2019, met een verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad, geoordeeld dat de aftrek inderdaad beperkt moet blijven tot de lijfrentepremieaftrek voor de oudedagsreserve.

Volgens de rechtbank maakt de Zorgverzekeringswet onderscheid tussen verzekeringsplichtigen die in dienstbetrekking een oudedagsvoorziening opbouwen (1e categorie), die als ondernemer een oudedagsvoorziening opbouwen door middel van fiscaal aftrekbare premies voor een verplichte pensioenregeling of door een fiscaal aftrekbare toevoeging aan de oudedagsreserve (2e categorie), en ondernemers die al dan niet in aanvulling daarop een dergelijke voorziening opbouwen door middel van een lijfrente (3e categorie).

De eerste twee categorieën worden als gelijk beoordeeld, bij de 3e categorie wordt een bijdrage geheven. Belastingplichtige heeft een stakingslijfrente bedongen voor de stakingswinst die geen verband houdt met de vrijval van de oudedagsreserve, zodat belastingplichtige in de 3e categorie valt. Uit het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2018 volgt volgens de rechtbank niet, dat alle drie de categorieën gelijk behandeld moeten worden.

Bron: Rechtbank Noord Nederland, 20 december 2019: ECLI:NL:RBNNE:2019:5258

Publicatiedatum: 8 januari 2020