In het Regeerakkoord heeft het kabinet aangekondigd om payrolling nader te reguleren en het vorm te geven als instrument om werkgevers te ontzorgen en niet als een mogelijkheid voor concurrentie op arbeidsvoorwaarden. De oppositie wil kennelijk niet op de uitvoering van dit kabinetsplan wachten en heeft onlangs een initiatiefwetsvoorstel ingediend.

De indieners willen werknemers die via een payrollconstructie werken de zekerheid geven dat zij hetzelfde loon en dezelfde arbeidsvoorwaarden krijgen als hun collega’s met een ‘normaal’ contract. Daarom wordt voorgesteld om de huidige mogelijkheid om bij cao af te wijken van de reeds bestaande gelijke behandeling op primaire arbeidsvoorwaarden af te schaffen en de gelijke behandeling uit te breiden naar secundaire arbeidsvoorwaarden. Ook worden de bijzondere regels die gelden voor de uitzendovereenkomsten (bijv. uitzendbeding & ketenregeling) in het voorstel buiten toepassing verklaard voor payrollsituaties.

Er wordt een uitzondering gemaakt voor werknemers die ter beschikking worden gesteld in het kader van het klassieke uitzenden d.w.z. in een situatie dat het (uitzend)bureau vraag en aanbod op de markt bij elkaar brengt.

Het wetsvoorstel heeft onder andere tot gevolg dat de loondoorbetaling bij ziekte onverkort van toepassing wordt en dat er een gelijkwaardige pensioenregeling moet worden getroffen voor de payrollwerknemers. Dit betekent dat, als de opdrachtgever onder een bedrijfstakpensioenfonds valt, de payrollwerknemers hierbij moeten worden aangesloten. Als het wetsvoorstel mag rekenen op voldoende steun in het parlement krijgen payrollbedrijven een ½ jaar de tijd om aan de nieuwe regels te voldoen voor bestaande terbeschikkingstellingen. Dat geldt echter niet voor het niet meer kunnen opnemen van het uitzendbeding; dat verbod krijgt directe werking in het wetsvoorstel.

Of het wetsvoorstel kans maakt is lastig te voorspellen; payrollbedrijven hebben in ieder geval niet erg enthousiast gereageerd op het wetsvoorstel. Wij houden u uiteraard op de hoogte van de ontwikkelingen.

Overigens is op 5 november jl. de algemeen verbindendverklaring van de ABU cao verlopen en is de zogenoemde cao-loze periode aangebroken. Dit kan gevolgen hebben voor o.a. het loon, het fasensysteem, opzegtermijnen en de ketenregeling voor het arbeidsovereenkomsten die na 5 november 2017 zijn overeengekomen door (ongebonden) uitzendbureaus.

U kunt hier meer lezen over de gevolgen van een cao-loze periode.

Ten slotte nog dit; uitzendbureaus regelen vaak ook huisvesting en de zorgverzekering voor hun uitzendkrachten. De kosten daarvan mogen (onder strikte voorwaarden) worden ingehouden op basis van een volmacht van de werknemer. Volgens de Inspectie SZW mag een dergelijke volmacht echter niet zijn opgenomen in de arbeidsovereenkomst maar moet dit in een apart schriftelijk document staan.

Bovendien zou daarin ook moeten zijn opgenomen dat de volmacht te allen tijde herroepelijk is, zo staat te lezen in het informatieblad over dit onderwerp.

Indien niet aan deze criteria wordt voldaan zou de volmacht niet rechtsgeldig zijn aldus de inspectie, met een (beboetbare) overtreding van de Wet minimumloon tot gevolg. Deze eisen lijken verder te gaan dan de wettelijke eisen. Maar totdat de rechter zich hierover heeft uitgelaten wordt geadviseerd de voorschriften van de inspectie te volgen ter voorkoming van discussie en mogelijk een kostbare procedure.